Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-09
ECLI:NL:RBROT:2024:13941
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
5,618 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/681132 / FA RK 24-4656
Beschikking van 9 december 2024 over het ouderlijk gezag / doorverwijzing naar het uniforme hulpaanbod alsmede een voorlopige begeleide zorgregeling
in de zaak van:
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. L. van Baaren te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Kara te Rotterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 20 juni 2024;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoeken met bijlagen, ingekomen op 17 november 2024;
het F9 formulier met bijlagen, van de zijde van de man, gedateerd 5 november 2024;
het F9 formulier met bijlagen, van de zijde van de man, gedateerd 6 november 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 november 2024. Daarbij zijn verschenen:
partijen en advocaten voornoemd;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de man.
Beoordeling
3.1.
De man verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan hem toekomt.
3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandige verzoeken om:
partijen te verwijzen naar het Uniforme Hulpaanbod voor een begeleid omgangstraject tussen de vrouw en de minderjarige via het Rotterdams Omgangshuis;
in afwachting van de start van het begeleid omgangstraject via het Rotterdams Omgangshuis een voorlopige begeleide zorgregeling te bepalen, waarbij de vrouw één keer per week begeleid omgang zal hebben met de minderjarige, onder begeleiding van de woonbegeleidster van de vrouw, althans een voorlopige begeleide zorgregeling te bepalen die de rechtbank in het belang van de minderjarige acht;
partijen te verwijzen naar het Uniforme Hulpaanbod voor een ouderschapsbemiddelingstraject;
Procesverloop
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
3.4.
Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling overweegt de rechtbank als volgt.
3.4.1.
De relatie van partijen is in 2021 beëindigd en de vrouw is vertrokken uit de echtelijke woning. Sindsdien verzorgt de man de minderjarige alleen. De kinderrechter constateert dat er bij de vrouw sprake is van een lange geschiedenis van psychiatrische problematiek (PTSS en Borderline) en verslavingen (alcohol en drugs), met meerdere pogingen om af te kicken en terugvallen daarna. De minderjarige heeft veel verdriet gehad door de onstabiele situatie van de vrouw en de vrouw is een aantal periodes ook afwezig geweest in het leven van de minderjarige. In de afgelopen twee jaar is de vrouw met grote regelmaat onder invloed van alcohol en/of drugs bij de woning van de man en de minderjarige verschenen. Door de man is hiervan aangifte gedaan.
3.4.2.
De vrouw is bij vonnis van 10 september 2024 strafrechtelijk veroordeeld van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op 12 april 2024, alsmede opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing op 27 juli 2024. Zij heeft een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis opgelegd gekregen. Daarbij is bepaald dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 30 uren subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de vrouw voor het einde van de proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt.
Als bijzondere voorwaarden zijn gesteld dat:
de vrouw zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de vrouw opnemen voor de eerste afspraak;
dat de vrouw zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De vrouw houdt zich van de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling en detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de vrouw zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De vrouw houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
de vrouw verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld;
de vrouw geen contact zal opnemen, zoeken of hebben – in welke vorm dan ook, ook niet via derden – met [naam man] , geboren op [geboortedatum 2] 1970, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Indien contact nodig blijkt ten bate van hun zoon, zal dit contact plaatsvinden onder toezicht van een goedgekeurde derde partij;
de vrouw zich niet zal bevinden in [locatie] ;
de vrouw zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag;
de vrouw meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan een ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de vrouw wordt gecontroleerd.
3.5.
Blijkens het door de man overgelegde proces-verbaal van aangifte heeft de vrouw op 27 september 2024 met een tuinstoel de voordeur van de man heeft vernield.
3.6.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij op 27 september 2024 is aangehouden voor vernieling en in voorlopige hechtenis is gesteld. De vrouw verklaart dat zij is geschorst door de officier waarbij er een aantal voorwaarden zijn gesteld en dat zij op het moment dat zij weer de fout in gaat linea recta weer in hechtenis wordt genomen.
3.7.
Van de zijde van de vrouw is een mail overgelegd van 6 november 2024 van de reclasseringsambtenaar, waaruit blijkt dat de vrouw sinds 30 september 2024 bij reclassering Fivoor onder toezicht staat. Sinds de start van het toezicht is de vrouw afsprakentrouw en verschijnt zij op de gemaakte afspraken. Ook staat de vrouw open voor hulp en begeleiding. Voorafgaande aan het toezicht had de vrouw behandeling bij Antes GGZ, maar omdat de vrouw nu een justitieel kader heeft, wordt de behandeling overgezet naar Fivoor GGZ. De vrouw is hiertoe gemotiveerd en laat een gemotiveerde houding zien om haar leven te veranderen en aan zichzelf te werken. Ook neemt zij contact op met de toezichthouder reclassering om te kunnen ventileren.
Daarnaast krijgt de vrouw hulp en ondersteuning bij haar financiën en staat zij open voor budgetbeheer en wordt er gezocht naar een passende beschermde woonplek voor de vrouw.
Binnen het reclasseringstoezicht geldt op dit moment een contactverbod met de man. Echter hoeft dit contactverbod niet direct een belemmering te zijn voor omgang met de minderjarige of ouderschapsbemiddeling. Als het contact in eerste instantie zal worden begeleid door professionals, is er veel mogelijk. Echter alles dient in overleg te gaan. De vrouw staat hiervoor ook open en realiseert zich dat het goed is dat dit eerst begeleid plaatsvindt.
3.8.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen gesproken over het belang van de minderjarige om contact te hebben met zijn moeder.
De vrouw erkent dat er de afgelopen drie jaar veel is gebeurd en ook dat zij veel fouten heeft gemaakt. De vrouw stelt dat zij haar leven heeft gebeterd en dat zij erg gemotiveerd is om met behulp van alle hulpverlening die inmiddels bij haar betrokken is te werken aan een betere toekomst voor haarzelf, het zoeken naar geschikte huisvesting en om een stabiele en betekenisvolle relatie met de minderjarige op te bouwen. De vrouw staat open voor begeleide omgangsbegeleiding via het Uniform Hulpaanbod, maar wil graag – gezien de lange wachttijden – dat er in de tussentijd begeleide omgang tussen haar en de minderjarige wordt opgestart via Antes.
3.9.
De man staat open voor begeleide omgangsbegeleiding, maar wil eerst gedurende een bepaalde periode zien dat de goede lijn die de vrouw nu zegt te volgen ook wordt doorgezet en dat de vrouw laat zien dat zij een periode weer stabiel is.
Het is nog maar zes weken geleden dat de vrouw onder invloed van middelen de voordeur van de man heeft vernield met een tuinstoel. Dit ondanks het vonnis dat er lag.
De vrouw moet een aanzienlijke periode stabiel zijn. Het is ook voor de minderjarige heftig en angstig wat er allemaal is gebeurd.
3.10.
De raad vindt dat het vertrouwen van de man in de vrouw moet worden hersteld en dat begeleide omgangsbegeleiding hierbij helpend kan zijn.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige begeleide contactregeling;
4.2.
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam man] ,
wonende te [adres 1] ,
en
[naam vrouw] ,
wonende te [adres 2] ; (briefadres)
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
4.3.
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject zullen bewerkstelligen dat het contact tussen de vrouw en de minderjarige wordt hersteld en dat zij afspraken zullen maken aan de hand waarvan de minderjarige onbelast contact kan hebben met beide partijen;
4.4.
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
[adres 3]
e-mailadres: [e-mailadres] ;
4.5.
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
4.6.
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
4.7.
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
4.8.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
4.9.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.10.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag en de contactregeling aan tot 1 april 2025 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van P. Mansveld-Spierings, griffier, op 9 december 2024.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Procesverloop
Het Rotterdams Omgangshuis zou hier bijvoorbeeld gedurende langere tijd bij kunnen helpen.
De raad adviseert de rechtbank partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod en al hetgeen meer of anders is verzocht aan te houden in afwachting van de resultaten hiervan.
3.11.
De rechtbank acht het, dit alles overziend, in het belang van de minderjarige dat er een ultieme poging wordt gedaan om het contact tussen de vrouw en de minderjarige te herstellen en bepaalt dat partijen deelnemen aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding, waarbij de rechtbank heeft meegewogen dat de raad onderzoek kan doen op het moment dat een van partijen zich niet houdt aan de voorwaarden.
3.12.
De rechtbank zal partijen dan ook in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
3.13.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.
3.14.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
3.15.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
3.16.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
3.17.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
3.18.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
3.19.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
In hoeverre komt een wijziging in het gezag tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
is een contactregeling tussen de vrouw en de minderjarige in het belang van de minderjarige?
en zo ja, hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
3.20.
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
3.21.
De kinderrechter zal in afwachting van de start van het traject Uniform Hulpaanbod geen voorlopige begeleide zorgregeling bepalen tussen de vrouw en de minderjarige. De kinderrechter acht de situatie van de vrouw op dit moment, in het licht van wat de nog jonge minderjarige nodig heeft, nog te kwetsbaar voor contactherstel. Hoewel de vrouw stelt dat de begeleide omgang via Antes door zou kunnen lopen is dit geenszins zeker, omdat de hulpverlening bij Antes GGZ wordt overgezet naar Fivoor GGZ omdat de vrouw nu een justitieel kader heeft. Daarbij is er nog zeer recentelijk sprake geweest van een terugval van de vrouw, te weten op 27 september 2024. Het thans vaststellen van een voorlopige begeleide contactregeling acht de kinderrechter daarom niet in het belang van de minderjarige. Het risico op een volgende verlieservaring voor de minderjarige vindt de rechter nog te groot.
Ook heeft meegewogen dat bij de rechtbank bekend is dat de wachttijd bij het Uniform Hulpaanbod momenteel tussen de twee á drie maanden bedraagt. Deze maanden kan de vrouw benutten om te laten zien dat zij gedurende een langere periode stabiel blijft.
De kinderrechter geeft de vrouw in overweging om de minderjarige de komende tijd met enige regelmaat een kaart te sturen, bijvoorbeeld met zijn verjaardag en met feestdagen en andere bijzondere gebeurtenissen. Op die manier merkt de minderjarige wel dat zijn moeder aan hem denkt. Voor kinderen is dat over het algemeen fijn, wanneer zij een periode geen contact hebben met een ouder. Daarbij is wel van belang dat de moeder geen appèl doet op de minderjarige, en geen emotioneel beladen teksten aan hem stuurt.
3.22.
In afwachting van de resultaten van het traject Uniform Hulpaanbod zal iedere verdere beslissing worden aangehouden tot 1 april 2025.
3.23.
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.