Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-12
ECLI:NL:RBROT:2024:13745
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,051 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/686357 / JE RK 24-2060
Datum uitspraak: 12 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 23 september 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 6 november 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 november 2024. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in de JJI te Spijkenisse.
2.3.
Bij beschikking van 20 november 2023 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 november 2024.
2.4.
Bij beschikking van 16 mei 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 20 november 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de één jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. De advocaat van [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat er een onvoorwaardelijke PIJ is geadviseerd in de lopende strafzaak. De GI onderschrijft dit advies en de Raad zal donderdag contact opnemen voor een terugkoppeling van hun bevindingen. De verlenging van de maatregelen zijn noodzakelijk voor het geval in de strafzaak de PIJ-maatregel niet wordt opgelegd. Indien de PIJ-maatregel niet wordt uitgesproken, zal er een screening plaatsvinden en zal [voornaam minderjarige] worden aangemeld voor een open instelling (Catamaran). Zonder machtiging is Catamaran niet bereid om mee te werken. Een plaatsing in drie milieu is geen optie, aangezien hiervoor vereist is dat zowel [voornaam minderjarige] als zijn ouders hiermee instemmen, wat niet het geval is.
Beoordeling
4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria van een ondertoezichtstelling. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
4.2.
[voornaam minderjarige] wordt nog ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De zorgen die in de beschikking van 20 november 2023 zijn benoemd, zijn nog steeds aanwezig en zelfs toegenomen. [voornaam minderjarige] wordt verdacht van een strafbaar feit en bevindt zich daarom sinds juni 2024 in voorlopige hechtenis in de JJI te Spijkenisse. De strafzaak van [voornaam minderjarige] staat gepland op 26 november 2024 en er wordt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. Aangezien het onzeker is of deze maatregel wordt opgelegd en gezien de zorgen is het noodzakelijk de maatregelen te verlengen. Vaststaat dat [voornaam minderjarige] op dit moment nog niet terug kan naar de moeder, aangezien de situatie daar onveilig is voor hem. [voornaam minderjarige] heeft vijanden in de buurt en komt in contact met jongeren die een negatieve invloed op hem hebben. Het is van belang dat er een passende plek voor [voornaam minderjarige] wordt gevonden waar hij de rust krijgt en hulp die hij nodig heeft. Aangezien er nog veel onduidelijk is, zal de kinderrechter de maatregel ten aanzien van de uithuisplaatsing voor een kortere duur verlengen dan is verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden. Dit biedt mogelijkheid om vingers aan de pols te houden.
4.3.
De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum te rapporteren over de laatste stand van zaken en daarbij aan te geven of het resterend deel van het verzoek wordt gehandhaafd.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 20 november 2025;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 mei 2025;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
en alvorens verder te bepalen:
5.4.
houdt de verdere behandeling van het verzoek aan tot 1 april 2025 pro forma;
5.5.
bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting hoeven te verschijnen;
5.6.
verzoekt de GI voor 18 maart 2025 de door de kinderrechter verzochte rapportage op te sturen met afschrift aan de belanghebbenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2024 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 28 november 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.