Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-18
ECLI:NL:RBROT:2024:13737
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,964 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687930 / JE RK 24-2273
Datum uitspraak: 18 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Asal, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 22 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, mw. [persoon A] en mw. [persoon B] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 mei 2024 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 3 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] woont sinds een half jaar weer bij de moeder en het gaat goed met hem. [voornaam minderjarige] komt vrolijk over en er zijn geen meldingen meer geweest over schoolverzuim. De moeder heeft inmiddels een zelfstandige woning en werkt goed mee met de hulpverlening. Om de draagkracht van de moeder te vergroten is de afgelopen periode de praktische (thuis)ondersteuning vanuit de Leliezorggroep ingezet. Inmiddels hebben ook de eerste twee van de vier opnames bij de Video Interactie Begeleiding (hierna: VIB) plaatsgevonden. De GI heeft hier nog geen uitslagen van ontvangen. De GI geeft aan dat de doelen in het kader van de ondertoezichtstelling zijn behaald. Desondanks acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden nodig om (meer) zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder en de verdere verloop van de hulpverlening te kunnen monitoren. De GI vreest dat op het moment dat de ondertoezichtstelling weg zou vallen de moeder de ingezette hulpverlening niet langer accepteert. Desgevraagd zijn er geen signalen die erop wijzen dat meer (in)zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder nodig is, of dat zij de hulpverlening buiten het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet meer zou accepteren.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder brengt naar voren dat het goed gaat met [voornaam minderjarige] en dat er geen zorgen meer over hem zijn. Daarbij zijn de doelen binnen de ondertoezichtstelling behaald en werkt de moeder goed mee met de hulpverlening. Er zijn nooit zorgen geweest over de opvoedvaardigheden van de moeder. Voor wat betreft de draagkracht van de moeder is van belang dat de vader en de (voorheen) pleegmoeder van [voornaam minderjarige] nog steeds betrokken zijn. De moeder heeft veel steun aan hen. Daarnaast geeft de moeder het aan als zij hulp nodig heeft en is zij bereid om hulp te accepteren. In het kader van de ondertoezichtstelling zal er de aankomende tijd niets nieuws meer worden ingezet en zal enkel nog worden afgerond wat al loopt. De moeder vraagt zich daarom af of een verlenging van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is en verzoekt om afwijzing van het verzoek van de GI.
Beoordeling
5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling volgt dat [voornaam minderjarige] niet langer ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Na een lange instabiele opvoedsituatie, waarbij de moeder en [voornaam minderjarige] over verschillende plekken hebben verbleven en er grote zorgen waren over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] , is de situatie ten positieve veranderd. Nadat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de vorige beschikking in mei 2024 is afgewezen, hebben [voornaam minderjarige] en de moeder hun positieve ontwikkeling verder voortgezet. De moeder heeft een eigen woning en nadat [voornaam minderjarige] weer bij de moeder is gaan wonen wordt gezien dat het daar goed met [voornaam minderjarige] gaat. Er is geen sprake meer van schoolverzuim en [voornaam minderjarige] laat geen zorgelijk gedrag meer zien. Hoewel de VIB nog niet is afgerond, zijn er op dit moment geen zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Ook is het positief dat de moeder steun vindt in de betrokkenheid van de vader en de (voorheen) pleegmoeder van [voornaam minderjarige] . De moeder accepteert de hulpverlening en vraagt hulp wanneer zij deze behoeft. De GI geeft aan dat de doelen van de ondertoezichtstelling zijn behaald. Dit heeft tot gevolg dat de kinderrechter van oordeel is dat het verzoek moet worden afgewezen.
De kinderrechter vertrouwt erop dat de moeder en [voornaam minderjarige] hun positieve ontwikkelingen binnen het vrijwillig kader verder zullen voortzetten en open zullen blijven staan voor de ingezette hulpverlening van de Leliezorggroep en de Enver VIB-opnames.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2024 door mr. J.S. van den Berge, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 2 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687930 / JE RK 24-2273
Datum uitspraak: 18 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Asal, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 22 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, mw. [persoon A] en mw. [persoon B] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 mei 2024 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 3 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige] woont sinds een half jaar weer bij de moeder en het gaat goed met hem. [voornaam minderjarige] komt vrolijk over en er zijn geen meldingen meer geweest over schoolverzuim. De moeder heeft inmiddels een zelfstandige woning en werkt goed mee met de hulpverlening. Om de draagkracht van de moeder te vergroten is de afgelopen periode de praktische (thuis)ondersteuning vanuit de Leliezorggroep ingezet. Inmiddels hebben ook de eerste twee van de vier opnames bij de Video Interactie Begeleiding (hierna: VIB) plaatsgevonden. De GI heeft hier nog geen uitslagen van ontvangen. De GI geeft aan dat de doelen in het kader van de ondertoezichtstelling zijn behaald. Desondanks acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden nodig om (meer) zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder en de verdere verloop van de hulpverlening te kunnen monitoren. De GI vreest dat op het moment dat de ondertoezichtstelling weg zou vallen de moeder de ingezette hulpverlening niet langer accepteert. Desgevraagd zijn er geen signalen die erop wijzen dat meer (in)zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder nodig is, of dat zij de hulpverlening buiten het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet meer zou accepteren.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder brengt naar voren dat het goed gaat met [voornaam minderjarige] en dat er geen zorgen meer over hem zijn. Daarbij zijn de doelen binnen de ondertoezichtstelling behaald en werkt de moeder goed mee met de hulpverlening. Er zijn nooit zorgen geweest over de opvoedvaardigheden van de moeder. Voor wat betreft de draagkracht van de moeder is van belang dat de vader en de (voorheen) pleegmoeder van [voornaam minderjarige] nog steeds betrokken zijn. De moeder heeft veel steun aan hen. Daarnaast geeft de moeder het aan als zij hulp nodig heeft en is zij bereid om hulp te accepteren. In het kader van de ondertoezichtstelling zal er de aankomende tijd niets nieuws meer worden ingezet en zal enkel nog worden afgerond wat al loopt. De moeder vraagt zich daarom af of een verlenging van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is en verzoekt om afwijzing van het verzoek van de GI.
Beoordeling
5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling volgt dat [voornaam minderjarige] niet langer ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Na een lange instabiele opvoedsituatie, waarbij de moeder en [voornaam minderjarige] over verschillende plekken hebben verbleven en er grote zorgen waren over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] , is de situatie ten positieve veranderd. Nadat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de vorige beschikking in mei 2024 is afgewezen, hebben [voornaam minderjarige] en de moeder hun positieve ontwikkeling verder voortgezet. De moeder heeft een eigen woning en nadat [voornaam minderjarige] weer bij de moeder is gaan wonen wordt gezien dat het daar goed met [voornaam minderjarige] gaat. Er is geen sprake meer van schoolverzuim en [voornaam minderjarige] laat geen zorgelijk gedrag meer zien. Hoewel de VIB nog niet is afgerond, zijn er op dit moment geen zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de moeder. Ook is het positief dat de moeder steun vindt in de betrokkenheid van de vader en de (voorheen) pleegmoeder van [voornaam minderjarige] . De moeder accepteert de hulpverlening en vraagt hulp wanneer zij deze behoeft. De GI geeft aan dat de doelen van de ondertoezichtstelling zijn behaald. Dit heeft tot gevolg dat de kinderrechter van oordeel is dat het verzoek moet worden afgewezen.
De kinderrechter vertrouwt erop dat de moeder en [voornaam minderjarige] hun positieve ontwikkelingen binnen het vrijwillig kader verder zullen voortzetten en open zullen blijven staan voor de ingezette hulpverlening van de Leliezorggroep en de Enver VIB-opnames.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2024 door mr. J.S. van den Berge, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 2 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.