Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-22
ECLI:NL:RBROT:2024:13732
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,058 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/686662 / JE RK 24-2107
Datum uitspraak: 22 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats].
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 september 2024 binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
een vertegenwoordigster van de Raad, [persoon 1];
twee vertegenwoordigsters van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland-Zuid, hierna te noemen: de GI, [persoon 2] en [persoon 3].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Er zijn vermoedens dat [minderjarige] verwikkeld is in een loverboy-situatie, mogelijk alcohol- en drugs gebruikt en onveilige seksuele contacten heeft. Bovendien stapt [minderjarige] regelmatig in de auto bij vreemde mannen; een keer belandde zij hierdoor in Duitsland. Dit gedrag staat deels in verband met haar (ex-)vriend, maar het laat ook zien welke keuzes [minderjarige] maakt. Het is positief dat de relatie met de ex-vriend vorige week is beëindigd, maar het is niet ondenkbaar dat zij weer samenkomen. [minderjarige] is zeer beïnvloedbaar en dat is zorgelijk. Ook zijn er zorgen op school en lijkt het alsof ze aan het afglijden is. Door het Jeugdteam zijn veiligheidsafspraken gemaakt, maar deze zijn niet nageleefd. De moeder voelt zich machteloos en het Jeugdteam ziet geen verdere mogelijkheden. Voor de komende periode is het van belang dat er vanuit het gedwongen kader toezicht wordt gehouden, dat er gekeken wordt naar wat nodig is om de moeder te ondersteunen en dat er iemand naast [minderjarige] komt te staan.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI twijfelt of een gedwongen kader noodzakelijk is. Hoewel de zorgen erkend worden, is er tot nu toe slechts beperkte hulpverlening ingezet. He Jeugdteam heeft tot nu toe alleen veiligheidsafspraken gemaakt. Er is nog veel te bereiken binnen het vrijwillige kader. Bovendien staat de moeder open voor alle hulpverlening en is er bij de GI nog geen zicht op een vaste jeugdbeschermer.
5Het standpunt van de moeder
5.1.
De moeder stemt in met het verzoek. De moeder wil heel graag goede hulp voor [minderjarige], want het gaat niet goed met haar. [minderjarige] is erg naïef en beïnvloedbaar en daarom is een gedwongen kader de beste oplossing. Het Jeugdteam heeft ook aangegeven niet meer te weten wat zij moeten doen. Hoewel de relatie met haar ex-vriend is beëindigd, zoekt ze hem nog steeds op. Als haar ex-vriend ook maar één keer naar haar toebuigt, is de kans groot dat ze weer een relatie krijgen met alle gevolgen van dien.
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ernstige zorgen bestaan over [minderjarige]. [minderjarige] is een kwetsbaar en beïnvloedbaar meisje en haar ontwikkeling wordt ernstig bedreigd doordat zij zich regelmatig in onveilige situaties begeeft. Er bestaan vermoedens van loverboyproblematiek. In de thuissituatie zijn spanningen en niet altijd is duidelijk waar [minderjarige] verblijft en met wie [minderjarige] is. Ook lijdt haar schoolgang onder de situatie. Ondanks de inspanningen van de moeder om de zorgen weg te nemen, lukt het haar niet. [minderjarige]’s gedrag is veranderd van meewerkend naar zelfbepalend gedrag en zij houdt zich niet meer aan de regels van de moeder. Dit gedrag is ontstaan sinds het begin van het jaar en de moeder herkent [minderjarige] niet meer. Er is hulpverlening betrokken geweest in het vrijwillige kader, namelijk van het Jeugdteam. Er zijn veiligheidsafspraken gemaakt, maar [minderjarige] heeft zich daar niet aan gehouden. Het Jeugdteam heeft aan de moeder aangegeven dat zij niet meer weten wat zij voor [minderjarige] kunnen doen. Ook de moeder is van mening dat een gedwongen kader passend is in deze situatie. De kinderrechter is gelet op dit alles en ondanks het standpunt van de GI van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] dat een (vaste) jeugdbeschermer betrokken wordt om de regie te houden en hulp in te zetten waar nodig.
6.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De kinderrechter ziet aanleiding om [minderjarige] onder toezicht stellen voor een kortere duur dan verzocht, namelijk voor de duur van zes maanden. Dit biedt de mogelijkheid om vinger aan de pols te houden. Na deze periode is er meer duidelijkheid over de situatie en of de relatie met haar ex-vriend definitief is beëindigd. De kinderrechter verzoekt de Raad te rapporteren over de laatste stand van zaken. Het overige deel van het verzoek zal dus worden aangehouden tot de hierna te noemen datum.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 22 oktober 2024 tot 22 april 2025;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens te beslissen:
7.3.
houdt de behandeling van het verzoek van de Raad voor het overige aan en bepaalt dat het verzoek wordt aangehouden tot 1 maart 2025 pro forma;
7.4.
bepaalt dat de Raad, de GI en de moeder op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
7.5.
verzoekt de Raad uiterlijk op 15 februari 2025 de kinderrechter (met afschrift aan de GI en de moeder) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 11 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.