Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-03
ECLI:NL:RBROT:2024:13731
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,564 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/689018 / JE RK 24-2430
Datum uitspraak: 3 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4]
,
geboren op [geboortedatum 3] 2010 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5]
,
geboren op [geboortedatum 4] 2013 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, woonplaats onbekend,
advocaat mr. E. Janse, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad, ingekomen bij de griffie op 8 november 2024;
- het rapport van de Raad met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 8 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna de GI, [persoon 2] en [persoon 3] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
2.2.
De vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is overleden.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de oma (vz) te [plaatsnaam 1] .
2.4.
[minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven bij de oma (vz) te [plaatsnaam 2] .
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot aan hun meerderjarigheid, te weten tot 7 december 2024. Tevens verzoekt de Raad de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin tot aan hun meerderjarigheid, te weten tot 7 december 2024. Verder verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad heeft zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van alle vijf de kinderen. De kinderen hebben al enkele jaren geen vaste woon/verblijfplaats en gaan al langere tijd niet naar school. Het gezin heeft elf jaar in België verbleven en door de Belgische kinderrechter zijn destijds kinderbeschermingsmaatregelen voor de kinderen afgegeven. Deze zijn toen niet van de grond gekomen omdat de hulpverlening moeilijk in contact kon komen met de moeder. Sinds het gezin in Nederland is, verblijven de kinderen gescheiden van elkaar. De oudste twee verblijven bij de oma (vz) in [plaatsnaam 1] en de jongsten drie bij de oma (vz) in [plaatsnaam 2] . De verblijfplaats van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] bij de oma (vz) in [plaatsnaam 2] staat onder druk, omdat het de oma niet is toegestaan de kinderen in haar woning op te vangen. Hierdoor zitten [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] veel binnen en moeten zij stil en onzichtbaar zijn. De kinderen komen zo niet aan hun eigen ontwikkeling toe. Ook zijn er zorgen over het gebrek aan financiële middelen van de moeder. Desgevraagd geeft de Raad aan dat het verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die over drie dagen meerderjarig zijn, is ingegeven door de noodzaak om hen zo spoedig mogelijk hulp en ondersteuning te kunnen bieden op hun weg naar volwassenheid. De Raad spreekt de hoop uit dat er in drie dagen mogelijk toch een vorm van hulpverlening opgestart kan worden, of dat zij via deze weg wellicht makkelijker in het kinderbeschermingstraject van de jongste drie kinderen meegenomen kunnen worden.
4De standpunten
4.1.
De GI onderschrijft de zorgen van de Raad en sluit zich aan bij het verzoek ten aanzien van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Er kan veel bereikt worden als er een goede samenwerking komt tussen de moeder en de GI. Er staat een vaste jeugdbeschermer voor het gezin klaar. Voor wat betreft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geeft de GI aan enkel betrokken te kunnen zijn tot aan hun meerderjarigheid, daarna is zij verplicht de hulpverlening over te dragen aan het wijkteam. Zodoende vraagt de GI zich sterk af, of de uitvoering van de verzochte maatregelen, dan wel de overdacht naar het vrijwillig kader, in drie dagen werkbaar is, mede gelet op het woonplaatsbeginsel. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou het beter zijn om op vrijwillige basis, vanwege hun naderende meerderjarigheid, mee te werken aan hulpverlening die in het kader van een ondertoezichtstelling voor de jongste drie kinderen kan worden geboden om zodoende ook voor hen de noodzakelijke hulpverlening in gang te zetten.
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder begrijpt de gestelde zorgen door de Raad en erkent deze ook. De situatie waarin zij zich met haar gezin bevindt emotioneert haar. De moeder betreurt dat de kinderen op dit moment niet naar school kunnen, terwijl ze dit wel graag willen en dat zij als gezin gescheiden van elkaar moeten leven. De moeder zou graag willen dat alle kinderen weer bij haar komen wonen zodra zij weer een eigen woning heeft. De moeder stemt in met het verzoek ten aanzien van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . In de tussentijd kunnen dan ook de mogelijkheden voor een alternatieve plaatsing binnen het netwerk onderzocht worden. De moeder geeft aan dat de kinderen voor nu goed zitten bij de oma’s (vz) in [plaatsnaam 2] en dat ze daar op dit moment veiliger zijn dan op een andere plek. Voor wat betreft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzoekt de moeder om afwijzing van het verzoek, omdat de GI gehoord hebbende de uitvoering van de verzochte maatregelen in drie dagen niet gerealiseerd kan worden. De moeder geeft aan bezig te zijn met de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de gemeente, dit is onlangs ook voor haar meerderjarige zoon gelukt. De moeder hoopt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] baat hebben bij de kinderbeschermingsmaatregelen voor hun jongere zusjes en broertje en dat de hulpverlening voor hen ook spoedig kan worden opgestart.
Beoordeling
5.1.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen hebben een belast verleden en gaan al langere tijd niet naar school. Daarnaast verblijven de kinderen op dit moment gescheiden van elkaar en ongedocumenteerd in Nederland binnen het netwerk. Zij staan niet ingeschreven en hebben geen vaste woon/verblijfplaats. Zodoende zijn er ernstige zorgen over de gezondheid, emotionele ontwikkeling en het algehele welzijn van alle vijf de kinderen. Verder zijn er zorgen over de emotionele en fysieke beschikbaarheid van de moeder. Zij heeft geen vaste woning, staat niet ingeschreven en heeft beperkte financiële middelen om haar gezin te onderhouden. De hulpverlening in het vrijwillig kader is gezien deze grote zorgen ontoereikend. De moeder is bereid maar op dit moment onvoldoende in staat zelfstandig de ernstige ontwikkelingsbedreiging voor haar kinderen weg te nemen en hulpverlening te accepteren.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de inzet van een vaste jeugdbeschermer nodig om het gezin de noodzakelijke hulp en ondersteuning te bieden die zij nodig hebben. De kinderrechter stelt daarom [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht voor de duur van een jaar. Het is van belang dat [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] duidelijkheid krijgen over hun toekomstperspectief en dat er een vaste plek is waar ze als gezin kunnen wonen. In de tussentijd is het in het belang van de kinderen dat zij bij hun oma (vz) in [plaatsnaam 2] of elders binnen het netwerk kunnen verblijven. Daarom zal de kinderrechter zoals verzocht ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een netwerkpleeggezin verlenen, deze is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Het is de aankomende periode van groot belang dat er een veilige en stabiele opvoedsituatie voor de kinderen gecreëerd wordt waarin zij tot rust kunnen komen, zich kunnen richten op hun individuele ontwikkeling en hun trauma’s kunnen verwerken. Het is eveneens belangrijk dat de moeder open blijft staan voor hulpverlening en deze accepteert. Dit is noodzakelijk om de benodigde stappen te zetten binnen het kader van de ondertoezichtstelling en om te onderzoeken wat er nodig is om de kinderen op termijn weer bij de moeder thuis te kunnen laten wonen.
5.3.
Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is de situatie, gezien hun leeftijd, anders dan voor de jongste drie kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden op 7 december 2024, 18 jaar en dat maakt dat een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing maar enkele dagen zou duren. Dit zeer korte tijdsbestek maakt dat de verzochte maatregelen niet ten uitvoer gelegd kunnen worden. Een ondertoezichtstelling kan de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet weghalen. Het uitspreken van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben naar het oordeel van de kinderrechter daarom geen meerwaarde. Het verzoek van de Raad ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt dan ook afgewezen. Dit laat onverlet dat de hiervoor gestelde zorgen ook betrekking hebben op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hulp voor hen noodzakelijk is. De kinderrechter vertrouwt erop dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de aankomende periode open blijven staan voor de hulpverlening die hen mede middels de ondertoezichtstelling voor hun jongere zusjes en broertje kan worden geboden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 3 december 2024 tot 3 december 2025;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor netwerkpleegzorg met ingang van 3 december 2024 tot 3 juni 2025;
6.3.
wijst al het meer of overig verzochte af;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.