Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-09
ECLI:NL:RBROT:2024:13716
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,198 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/684416 / JE RK 24-1818
Datum uitspraak: 9 oktober 2024
Beschikking over opheffing van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam stiefvader],
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de moeder en de stiefvader,
advocaat: mr. K. el Joghrafi, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader]
,
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 14 augustus 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 16 augustus 2024;
het emailbericht met bijlagen van de vader van 9 oktober 2024;
een brief van de GI aan de vader van 22 maart 2024 (ter zitting door de GI overgelegd).
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en de stiefvader bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI, [persoon 1] en [persoon 2] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder en de stiefvader.
2.3.
Bij beschikking van 7 februari 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 7 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling op te heffen. Tevens verzoekt de GI om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Er zijn geen zorgen over de moeder. Bij de vader ligt dit anders. Er zijn meerdere gesprekken met de vader gevoerd, maar die liepen uit de hand door dreigende uitspraken. Als reactie heeft de vader eind maart een brief gekregen waarin hem drie maanden de tijd werd gegeven om hulp te zoeken. De vader is echter niet bereid om hulp te accepteren, waardoor samenwerking onmogelijk is. Er is geen verwachting dat de situatie zal veranderen, waardoor een ondertoezichtstelling geen nut heeft.
4Het standpunt van de moeder en de stiefvader
4.1.
Door en namens de moeder en de stiefvader wordt ingestemd met het verzoek. Vanaf het begin zag de moeder geen meerwaarde in de ondertoezichtstelling. Nu de vader niet meewerkt, kan de GI weinig betekenen. Over de kinderen zijn er geen zorgen dus een ondertoezichtstelling biedt daarvoor ook geen toegevoegde waarde.
5Het standpunt van de vader
5.1.
De vader heeft schriftelijk bericht dat het hem spijt. Hij houdt zielsveel van de kinderen, maar na ruim negen jaar wordt al dit volkomen onnodige dat in 2015/2016 begon hem gewoon teveel. Hij kán niet meer.
Beoordeling
6.1.
Op grond van artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond voor ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van het BW niet langer is vervuld.
6.2.
In de beschikking van 7 februari 2024 heeft de kinderrechter het volgende overwogen:
“ [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op dit moment geen contact met de vader. De vader lijkt het verleden nog onvoldoende verwerkt te hebben en is ambivalent ten aanzien van de hulpverlening. Er bestaan geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder en stiefvader thuis. De vader spreekt de wens uit voor een ruime contactregeling met de kinderen. Het is van groot belang dat de vader zijn deur open zet voor de hulpverlening en inzicht heeft in zijn eigen aandeel. Een ondertoezichtstelling kan helpend zijn om te onderzoeken wat de vader in dat kader nodig heeft. De kinderrechter verwacht van de vader dat hij zich daarvoor openstelt. Hopelijk is de vader in staat een vertrouwensband op te bouwen met de jeugdbeschermer van de GI en de adviezen op te volgen.”
6.3.
De kinderrechter constateert dat de situatie sindsdien niet lijkt te zijn gewijzigd. Het gaat goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder. Met de kinderen wil de vader graag contact. Niet gesteld of gebleken is dat de vader zich heeft opengesteld voor hulpverlening of geprobeerd heeft inzicht te krijgen in wat hij zelf kan doen.
6.4.
Er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder en stiefvader thuis. De ontwikkeling van de kinderen wordt niet ernstig bedreigd. Aan de grondslag voor ondertoezichtstelling is niet voldaan en opheffing van de ondertoezichtstelling ligt in de rede.
6.5.
Er was destijds geen contact met de vader en dat is tot op heden niet veranderd. In de beschikking van 7 februari 2024 heeft de kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat de vader zich openstelt voor hulpverlening. De verantwoordelijkheid om hulpverlening aan te vragen ligt primair bij de vader zelf, die hiervoor contact kan opnemen met de huisarts. Ondanks zijn aanhoudende ambivalentie oordeelt de kinderrechter dat de vader daarvoor nog een kans verdient. Vervolgens kan de vader of de huisarts de GI hiervan op de hoogte stellen. De kinderrechter zal daarvoor nog twee maanden de tijd geven. Tegelijkertijd is het van belang dat ook de GI mogelijkheden onderzoekt om de situatie te keren.
6.6.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling nog twee maanden laten voortduren en opheffen per 9 december 2024
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op per 9 december 2024;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2024 door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.