Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-09
ECLI:NL:RBROT:2024:13686
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,905 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/681800 / FA RK 24-4947
Datum uitspraak: 9 september 2024
Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek, kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Oversluizen, kantoorhoudende te Rotterdam.
[naam oma]
,
hierna te noemen: de oma vaderszijde (vz), tevens de pleegmoeder, wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 10 juni 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
de bereidverklaring van de GI van 27 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
de advocaat van de vader;
de advocaat van de oma (vz);
een vertegenwoordiger van de GI, [persoon 1] ;
een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon 2] .
1.3.
De moeder, de vader en de oma (vz) zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de oma (vz).
2.3.
De GI heeft zich bij brief van 27 augustus 2024 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
2.4.
Bij beschikking van 13 mei 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 april 2025. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de oma (vz), verlengd tot 8 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Er zijn veel zorgen. [minderjarige] is al bezig met de grenzen opzoeken, wat niet bij zijn ontwikkelingsfase hoort. [minderjarige] is minder goed aan te sturen, heeft driftbuien en verlatingsangst. Ook heeft [minderjarige] het gevoel dat de moeder hem afwijst. [minderjarige] heeft de moeder al twee jaar niet gezien. De moeder houdt zich niet aan de afspraken en geeft geen toestemming voor belangrijke dingen zoals hulpverlening of een paspoort. De moeder heeft een belast verleden. De moeder kan haar emoties niet goed reguleren. De vader denkt wel in het belang van [minderjarige] , maar het lukt de vader niet om [minderjarige] en de moeder contact met elkaar te laten krijgen. Dit is erg lastig voor een betrokken persoon en daarom is het van belang dat het gezag bij een neutraal persoon komt te liggen die kan blijven proberen het contact tussen de moeder en [minderjarige] te herstellen. Er moet gekeken worden naar wat in het belang is van [minderjarige] . Verder benadrukt de Raad dat gezagsbeëindiging geen einde is van het ouderschap en dat het contact tussen [minderjarige] en beide ouders erg belangrijk blijft.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI stemt in met het verzoek. De moeder heeft vastgezeten in detentie. In februari dit jaar heeft de moeder een gesprek gehad met de opa om verdere afspraken te maken. De moeder reageert heel erg op de GI, ook vanuit eigen trauma’s. Daarom is het beter dat er contact is met de opa. Er zijn afspraken gemaakt, zoals videoberichten sturen naar [minderjarige] . Dit is één keer gebeurd, maar verder niet. [minderjarige] reageert hier heel heftig op. [minderjarige] wil het niet zien en doet zijn handen voor zijn ogen. Ook laat [minderjarige] gedrag zien van snel boos worden thuis en op school. Er is speltherapie ingezet, maar er is verdere behandeling nodig. Bovendien moet er gekeken worden hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] vormgegeven dient te worden.
5Het standpunt van de moeder
Namens de moeder wordt berust in het verzoek. De moeder herkent zich niet in het beeld dat zij nooit initiatief toont en niet meewerkt. Zo is de speltherapie nooit aangevraagd omdat er vanuit werd gegaan dat de moeder geen akkoord zou geven. De moeder wil het beste voor [minderjarige] , maar wordt geconfronteerd met [minderjarige] die haar videoboodschap niet wil zien. De moeder ziet dat [minderjarige] op zijn plek zit bij de oma (vz). Het beleggen van de voogdij bij een professionele instantie is positief. Als de voogdij bij de oma of de vader zou komen te liggen, dan zou de moeder de angst hebben dat zij verdwijnt uit het leven van [minderjarige] .
6Het standpunt van de vader
Namens de vader kan geen verweer gevoerd worden, want de advocaat van de vader heeft de vader niet gesproken.
7Het standpunt van de oma (vz)
Namens de oma wordt ingestemd met het verzoek. De oma is blij dat zij niet belast wordt met de voogdij. De oma kan namelijk niet samenwerken met de moeder. Weliswaar heeft de vader de afgelopen jaren meegewerkt, maar is het toch beter om ook het gezag van de vader te beëindigen. Als de vader het gezag zou krijgen, dan moet alsnog een onafhankelijke derde worden betrokken om de omgang met de moeder op te starten.
Beoordeling
Gezagsbeëindiging
8.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
8.2.
De kinderrechter heeft de stukken goed gelezen. Ook heeft zij goed geluisterd naar wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. Op basis daarvan is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW en zal zij het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder en de vader toewijzen.
8.3.
De kinderrechter moet allereerst de vraag beantwoorden of [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Deze vraag beantwoordt de kinderrechter bevestigend. [minderjarige] kent een belast verleden en vertoont gedragsproblemen zoals driftbuien, zelfbepalend gedrag, het opzoeken van grenzen en heeft verlatingsangst. Het is van belang dat er hulpverlening wordt gestart. De school wil Primair Passend Onderwijs inzetten, maar dit kan niet worden gerealiseerd zonder toestemming van beide ouders.
8.4.
Vervolgens moet de kinderrechter de vraag beantwoorden of de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te achten termijn te dragen. Ook deze vraag beantwoordt de kinderrechter bevestigend. [minderjarige] woont al geruime tijd bij de oma (vz), omdat de ouders niet in staat zijn om hem op te voeden. De ouders accepteren ook dat [minderjarige] daar opgroeit. De aanvaardbare teermijn is inmiddels verstreken, waardoor het belangrijk is dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over zijn toekomst en zijn perspectief bij oma (vz). Bovendien stagneert de hulpverlening omdat toestemming van ouders nodig is, maar deze toestemming wordt niet verleend.
8.5.
Nu vaststaat dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de ouders ligt, zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in beginsel niet langer de geëigende maatregelen. Blijkens jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging anders dan die van de wetgever in artikel 1:266 van het BW. Volgens artikel 8 van het EVRM is beëindiging van het ouderlijk gezag een verstrekkende inmenging in het familie- en gezinsleven. Deze inmenging moet in een redelijke verhouding staan tot het doel dat wordt nagestreefd en een lichtere maatregel dient te worden verkozen boven een zwaardere maatregel als het doel daarmee ook kan worden bereikt.
8.6.
In dit licht oordeelt de kinderrechter dat het belang van [minderjarige] is om duidelijkheid te verkrijgen. Het zorgelijke gedrag dat [minderjarige] vertoont, vereist zowel hulpverlening als onderzoek. Dit verloopt moeizaam omdat de samenwerking met de moeder stroef is. De moeder werkt niet samen met de GI en handelt niet in het belang van [minderjarige] . Wat betreft het gezag van de vader merkt de kinderrechter op dat hoewel de vader betrokken is en meewerkt wanneer dat nodig is, hij niet in staat is om samen te werken met de moeder. Als het gezag bij de vader zou komen te liggen, dan zou hij deze samenwerking wel moeten aangaan. Het is dan ook niet in het belang van [minderjarige] als het gezag bij de vader komt te liggen. Ook is gekeken naar de mogelijkheid om de oma (vz) als voogd te benoemen, maar de oma (vz) heeft uitdrukkelijk aangegeven dit niet te willen vanwege de verstoorde verstandhouding tussen de moeder en de oma (vz).
8.7.
Gelet op al het vorenstaande is de kinderrechter dan ook van oordeel dat beëindiging van het gezag een noodzakelijke en gerechtvaardigde inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de moeder, de vader en [minderjarige] , zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige] toewijzen. De rechtbank merkt daarbij op dat beëindiging van het gezag van de moeder en vader over [minderjarige] niets afdoet aan het feit dat de moeder en de vader altijd de ouders zullen blijven. Ook houden zij het recht op informatie over zijn ontwikkeling en op contact met [minderjarige] voor zover het belang van [minderjarige] zich hiertegen niet verzet.
Voogdij
8.8.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de kinderrechter op grond van artikel 1:275, eerste lid, van het BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de kinderrechter als volgt.
6.6.
De kinderrechter overweegt dat het in het belang is van [minderjarige] dat op dit moment een neutrale derde partij wordt belast met de voogdij over hem. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De GI kan de belangen van [minderjarige] behartigen en begeleiding bieden. De kinderrechter zal daarom bepalen dat de GI wordt belast met de voogdij over [minderjarige] .
Bewind
8.9.
Ervan uitgaande dat de ouders het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige worden zij, op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, van het BW, als ouders waarvan het gezag wordt beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan hun opvolger in dit bewind.
Uitvoerbaar bij voorraad
8.10.
De kinderrechter zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige] is dat de beslissing van de kinderrechter direct in werking zal treden, ongeacht een eventueel hoger beroep daartegen.
Dictum
De rechtbank:
9.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [naam vader] , geboren op [geboortedatum 2] 1985 en [naam moeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1994 over [minderjarige] ;
9.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige, de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
9.3.
veroordeelt de moeder en de vader aan de voogdes rekening en verantwoording af te leggen van het gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] ;
9.4.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
9.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2024 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.