Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-20
ECLI:NL:RBROT:2024:13465
Civiel recht
Kort geding
1,783 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/688788 / KG ZA 24-1045
Vonnis in kort geding van 20 december 2024
in de zaak van
[eiser 1]
,
[eiser 2]
,
beide wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. J.J.E. Hovener te Tilburg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
IJZERSTERK BOUW B.V.,
gevestigd te Voorschoten,
gedaagde,
geen advocaat.
1Waar gaat de zaak over?
1.1.
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming met elkaar gesloten. Op grond van deze aannemingsovereenkomst moet gedaagde een uitbouw aan de woning van eisers aan [adres] realiseren. In de oorspronkelijke planning van gedaagde staat dat het werk eind juli 2024 wordt opgeleverd, maar dit is niet gelukt. Ook de latere deadline van 23 augustus 2024 heeft gedaagde niet gehaald. In plaats daarvan is de verbouwing verder vertraagd en vanaf 13 oktober 2024 stil komen te liggen. Eisers hebben gedaagde in gebreke gesteld, maar zij heeft het werk niet hervat en opgeleverd. Daarom hebben eisers dit kort geding ingesteld. Zij vorderen dat gedaagde wordt veroordeeld tot nakoming van de aannemingsovereenkomst, op straffe van een dwangsom. Gedaagden vorderen ook dat gedaagde wordt veroordeeld in de proces- en nakosten, met wettelijke rente. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen toe. De redenen hiervoor worden hierna toegelicht.
Procesverloop
2.1.
Het procesdossier bestaat uit de dagvaarding van 20 november 2024 met producties 1 tot en met 21.
2.2.
De mondelinge behandeling vond op 6 december 2024 plaats. Eisers verschenen daar met hun advocaat. [naam], bestuurder van gedaagde, is in persoon verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
Beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter is bevoegd van deze zaak kennis te nemen en op de vorderingen te beslissen. In de wet staat geen regeling over de relatieve bevoegdheid speciaal voor het kort geding. In rechtspraak van de Hoge Raad is aangenomen dat de voorzieningenrechter van de rechtbank van het rechtsgebied waarin de voorlopige voorziening moet worden getroffen bevoegd is. Deze bevoegdheidsregel wordt in de rechtspraktijk toegepast. De voorlopige voorziening waarover het in deze zaak gaat moet worden getroffen binnen het rechtsgebied van deze rechtbank. Deze zaak gaat immers over de nakoming van een aannemingsovereenkomst tot verbouwing van een woning in Hoogvliet Rotterdam. Overigens is gedaagde in deze procedure verschenen en heeft zij geen beroep gedaan op de onbevoegdheid van de voorzieningenrechter.
3.2.
Het spoedeisend belang volgt uit de stelling van eisers dat zij zich in een onveilige en onaangename situatie bevinden doordat gedaagde zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst niet nakomt. Gedaagde heeft meerdere keren toegezegd de uitbouw aan de woning snel te realiseren. In plaats daarvan is de verbouwing stil komen te liggen, terwijl een deel van de achtergevel was weggehaald en het gat in de gevel alleen was afgedekt met houten platen. Met het dalen van de buitentemperatuur zijn eisers hierdoor letterlijk in de kou komen te zitten. Het maakt in dit kader niet uit dat gedaagde kort voor de mondelinge behandeling een schuifpui heeft geplaatst, want de uitbouw is nog altijd niet lucht- en waterdicht. Eisers hebben daardoor nog steeds last van kou en vochtproblemen, en sinds kort is ook sprake van schimmelvorming in de uitbouw.
3.3.
De voorzieningenrechter zal gedaagde veroordelen de aannemingsovereenkomst na te komen binnen twee weken na betekening van dit vonnis. Daaronder moet in ieder geval worden begrepen dat gedaagde het overeengekomen werk op deugdelijke wijze realiseert, afbouwt en conform contractuele afspraken en eisen van goed en deugdelijk werk oplevert. Gedaagde erkent dat de verbouwing veel te langzaam gaat. Volgens haar komt dit door een personeelstekort en planningsproblemen. Gedaagde wil echter niet dat eisers daarvan de dupe worden. Zij heeft daarom toegezegd dat de verbouwing op korte termijn wordt afgerond en opgeleverd, dat zij daartoe de hulp van ervaren collega’s zal inroepen en dat zij voortaan goed toezicht zal houden op de uitvoering van het werk. De voorzieningenrechter twijfelt niet aan deze intenties, maar tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat gedaagde al eerder toezeggingen heeft gedaan, die zij vervolgens – om welke reden dan ook – niet is nagekomen. Daarom is het toch nodig dat gedaagde in deze procedure tot afbouw wordt veroordeeld.
3.4.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding, zoals gevorderd, aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. Gedaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij daar geen bezwaar tegen heeft, omdat hij daardoor een spreekwoordelijke ‘stok achter de deur’ heeft. De dwangsom wordt gesteld op € 1.000,00 met een maximum van € 50.000,00. Als gedaagde de toezeggingen nakomt, heeft zij geen last van deze dwangsom.
3.5.
Gedaagde krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van eisers worden begroot op:
- dagvaarding: € 139,42
- griffierecht: € 320,00
- salaris advocaat: € 715,00
- nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 1.352,42
3.6.
Deze uitspraak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt gedaagde binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar verplichting uit de aannemingsovereenkomst (bestaande uit de offerte met nummer 202400086 van 3 mei 2024, met bijbehorende algemene voorwaarden, en de aanvaarding van die offerte op 6 juni 2024) tot het realiseren van een uitbouw aan de woning van eisers aan [adres] na te komen;
4.2.
veroordeelt gedaagde aan eisers een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de in 4.1. uitgesproken hoofdveroordeling, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt;
4.3.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de proceskosten van € 1.352,42 binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; als gedaagde niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten gedaagden € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.
3820/1980