Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-30
ECLI:NL:RBROT:2024:13423
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,482 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummers: 10/027790-23 en 10/330754-22 (gevoegde zaak)
Datum uitspraak: 30 december 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op 13 januari 1992,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
uit anderen hoofde gedetineerd in [naam PI] .
Raadsvrouw mr. M. Shaaban, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. Linnenbank heeft gevorderd:
vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 2 ten laste gelegde;
bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 1 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/330754-22 primair ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering (parketnummer 10-027790-23 feit 2)
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering (parketnummer 10-027790-23 feit 1)
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarvoor is verwezen naar de aangifte van mevrouw [slachtoffer 1] en het onderzoek van de forensisch opsporing. Op de schroevendraaier - die in de tuin van de woning lag - is DNA van de verdachte aangetroffen. Ook is bloed van de verdachte aangetroffen op de lichtschakelaar in de woonkamer en aan de binnenzijde van de tuindeur. De verdachte heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij niet in de woning is geweest. Vandaag ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij alleen in de woning is geweest om te slapen en dat hij geen spullen heeft weggenomen. Deze verklaring moet als ongeloofwaardig ter zijde worden geschoven.
4.2.2.
Standpunt verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat het enkele aantreffen van DNA van de verdachte onvoldoende is om te kunnen bewijzen dat het de verdachte is geweest die heeft ingebroken in de woning van mevrouw [slachtoffer 1] . Het DNA van de verdachte kan immers via secundaire overdracht op het deurkozijn en de lichtschakelaar terecht zijn gekomen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de schroevendraaier - waarop zijn DNA is aangetroffen - aan een bekende van hem heeft uitgeleend. Er kan dus niet worden uitgesloten dat de schroevendraaier door een ander dan de verdachte is gebruikt. De verdachte heeft vandaag verklaard dat hij in de woning is geweest omdat hij een schuilplek zocht en aldaar wilde slapen. De rechtbank kan hooguit tot een bewezenverklaring van huisvredebreuk komen.
4.2.3.
Beoordeling
In de periode tussen 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 heeft een inbraak plaatsgevonden in de woning van aangeefster. Uit het forensisch onderzoek volgt dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de lichtschakelaar op de muur in de woonkamer en aan de binnenzijde van het kozijn van de tuindeur. Het DNA van de verdachte is eveneens aangetroffen op een schroevendraaier die in de tuin van de woning is gevonden.
De verdachte heeft in eerste instantie iedere betrokkenheid ontkend. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij samen met anderen de woning binnen is gegaan om daar te slapen.
De rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat de verdachte de woning binnen is gegaan met het oogmerk zich wederrechtelijk goederen toe te eigenen. De weggenomen goederen zijn niet bij de verdachte aangetroffen. Daarbij komt dat de verdachte heeft verklaard met anderen te zijn geweest. Gelet op de aangifte kan tevens worden vastgesteld dat de woning meerdere dagen onbewoond is geweest, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in de woning is ingebroken of de enige is geweest die in de ten laste gelegde periode in de woning was. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde (poging) tot gekwalificeerde diefstal. Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de woning wederrechtelijk is binnengedrongen.
4.2.4.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
4.3.
Bewijswaardering (parketnummer 10/330754-22)
4.3.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de aangever moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat de verdediging niet in staat is gesteld het ondervragingsrecht uit te oefenen. De onmogelijkheid tot het uitvoeren van het ondervragingsrecht levert een schending op van artikel 6 EVRM.
4.3.2.
Beoordeling
Bruikbaarheid verklaring aangever voor het bewijs
Op 13 september 2022 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan en heeft hij een voor de verdachte belastende verklaring afgelegd. De zaak is op 12 mei 2023 verwezen naar het kabinet rechter-commissaris om [slachtoffer 2] als getuige te doen horen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris volgt dat via meerdere telefoonnummers – die bij de aangever in gebruik zouden zijn – is gepoogd om de aangever te bereiken, maar dat dit niet is gelukt. Wel is contact verkregen met Stichting de Ontmoeting. Ook daaruit is het echter onbekend gebleven waar hij verblijft, nu hij maandenlang niet meer is gezien bij deze stichting. Gelet hierop is de aangever als onvindbaar aangemerkt en is afgezien hem als getuige te horen.
De rechtbank stelt voorop dat indien de verdediging hierdoor geen behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft om het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde ondervragingsrecht uit te oefenen, een veroordeling van de verdachte desondanks in overeenstemming kan zijn met de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM. Bepalend is daarvoor, zo komt in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren, de uiteindelijke evaluatie van ‘the overall fairness of the trial’. Van belang hierbij zijn:
i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit en
iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.
De vraag die moet worden beantwoord, is of de verklaring van de aangever als ‘sole or decisive’ bewijs dient te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige die niet gehoord kon worden groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet-bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren bestaan.
Het aan de verdachte ten laste gelegde vindt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate steun in de andere bewijsmiddelen, te weten de getuigenverklaring en de verklaring van de verdachte die hij tijdens het politieverhoor heeft afgelegd. De omstandigheid dat de verdediging de aangever niet heeft kunnen ondervragen staat dus niet in de weg aan het gebruik van de door hem afgelegde verklaring voor het bewijs. Dat er geen compenserende factoren zijn, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
Openlijke geweldpleging
Voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging dient vast te staan dat een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat door meerdere personen is uitgeoefend. Daarvoor hoeft niet te worden vastgesteld welke deelnemer welke geweldshandelingen heeft verricht.
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 13 september 2022 werd aangevallen door een groep van vijf jongens. ‘Jongen 2’ kwam als eerste op hem af, schold hem uit en gaf hem met zijn vuist een klap in zijn gezicht. Vervolgens kwamen de andere jongens erbij, pakten hem beet en gaven hem ook klappen. Dit speelde zich af in het wijkpark Oude Westen, een openbare plek. De verbalisanten die ter plaatse kwamen, hebben letsel in het gezicht van de aangever geconstateerd. De jongens zouden volgens de aangever in de richting van de Nieuwe Binnenweg zijn gelopen. Tien minuten na het incident hebben de verbalisanten drie jongens – die aan het signalement voldeden – staande gehouden op de Nieuwe Binnenweg. De verklaring van de aangever wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam getuige] waaruit volgt dat er een stuk of vijf mannen ruzie hadden en dat er over en weer met vuisten werd geslagen. Getuige [naam getuige] herkende de drie jongens die staande werden gehouden als de jongens die deel uitmaakten van de ruzie. Aan de aangever zijn foto’s van de drie aangehouden verdachten getoond. Bij het zien van de foto van de verdachte, verklaarde de aangever dat dit ‘Jongen 2’ was; de jongen die hem uitschold en daarna in zijn gezicht sloeg.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat twee vrienden van hem ruzie met elkaar hadden en dat hij tussenbeide is gekomen om hen uit elkaar te halen. Die verklaring acht de rechtbank, gelet op voornoemde omstandigheden en zijn eerdere verklaring bij de politie, niet geloofwaardig. Bij de politie heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij een woordenwisseling had met de aangever en dat hij geweld heeft gebruikt. Dit zou weliswaar geweest zijn om zichzelf te verdedigen, maar daar ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor nu uit het dossier blijkt dat de verdachte de agressor is geweest. Ook de medeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoor bevestigd dat de verdachte en de aangever met elkaar hebben gevochten.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte welbewust heeft deelgenomen aan het openlijk geweld en daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
4.3.3.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
4.4.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen,
houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond
daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en
overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-027790-23
onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/330754-22
primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
In de zaak met parketnummer 10-027790-23
1.
hij in de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te Rotterdam,
in de woning, gelegen aan de
[adres delict] te Rotterdam,
bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen;
In de zaak met parketnummer 10-330754-22
hij op 13 september 2022 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de West-Kruiskade,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2]
door (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het hoofd, van die [slachtoffer 2] te
stompen en/of slaan.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
In de zaak met parketnummer 10-027790-23:
Feit 1:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
In de zaak met parketnummer 10-330754-22:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Door zijn handelen heeft de verdachte samen met anderen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Bovendien brengen dergelijke geweldshandelingen, die op een voor het publiek toegankelijke plaats hebben plaatsgevonden, grote gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving met zich mee.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. Met dit gedrag heeft de verdachte ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Dit soort feiten zorgen voor overlast en schade en bovendien voor een onveilig gevoel bij betrokkenen en omwonenden.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor huisvredebreuk.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 57, 63, 138, 141 van het Wetboek van Strafrecht.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit en het in de zaak met parketnummer 10/330754-22 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en E.A. Kool, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10-027790-23
1.
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te
Rotterdam, althans in Nederland,
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de
[adres delict] te Rotterdam, alwaar hij, verdachte,
zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een powerbank (merk: Bluebuilt) en/of
- een externe schijf (merk: Seagate) en/of
- een speaker (merk: JBL) en/of
- een rugzak (merk: Osprey) en/of
- ( sport-)kleding en/of
- een zonnebril op sterkte (merk: Ray-Ban) en/of
- een bril op sterkte (merk: Ace and Tate),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan
een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door
middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te
Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de
[adres delict] te Rotterdam, alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de
wil van de rechthebbende bevond,
meerdere, althans een, goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte
toebehoorde(n)
weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te
nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking
en/of inklimming,
- naar/in de (afgesloten) tuin van de woning is gegaan en/of
- een ruit van de deur van de woning heeft ingeslagen/kapot gemaakt en/of
- ( via die verbroken ruit) (het slot van) de deur van de woning heeft geforceerd en/of
(vervolgens) geopend en/of
- ( vervolgens) de woning is binnengegaan en/of (een) ruimte(s) en/of (een) kast(en)
in de woning heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te
Rotterdam, althans in Nederland,
in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan de
[adres delict] te Rotterdam,
bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.
hij op of omstreeks 5 januari 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,
zijn levensgezel, [slachtoffer 3] ,
heeft mishandeld door
die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, met zijn vuist(en) op/tegen haar arm(en)
en/of borst en/of buik, althans haar (boven-)lichaam, te slaan en/of stompen;
Parketnummer 10-330754-22
hij op of omstreeks 13 september 2022 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de West-Kruiskade, in elk geval op of aan de openbare
weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2]
door (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het hoofd, van die [slachtoffer 2] te
stompen en/of slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 september 2022 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het
hoofd, van die [slachtoffer 2] te stompen en/of slaan.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummers: 10/027790-23 en 10/330754-22 (gevoegde zaak)
Datum uitspraak: 30 december 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op 13 januari 1992,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
uit anderen hoofde gedetineerd in [naam PI] .
Raadsvrouw mr. M. Shaaban, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. Linnenbank heeft gevorderd:
vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 2 ten laste gelegde;
bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 1 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/330754-22 primair ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering (parketnummer 10-027790-23 feit 2)
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering (parketnummer 10-027790-23 feit 1)
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarvoor is verwezen naar de aangifte van mevrouw [slachtoffer 1] en het onderzoek van de forensisch opsporing. Op de schroevendraaier - die in de tuin van de woning lag - is DNA van de verdachte aangetroffen. Ook is bloed van de verdachte aangetroffen op de lichtschakelaar in de woonkamer en aan de binnenzijde van de tuindeur. De verdachte heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij niet in de woning is geweest. Vandaag ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij alleen in de woning is geweest om te slapen en dat hij geen spullen heeft weggenomen. Deze verklaring moet als ongeloofwaardig ter zijde worden geschoven.
4.2.2.
Standpunt verdediging
Door de verdediging is aangevoerd dat het enkele aantreffen van DNA van de verdachte onvoldoende is om te kunnen bewijzen dat het de verdachte is geweest die heeft ingebroken in de woning van mevrouw [slachtoffer 1] . Het DNA van de verdachte kan immers via secundaire overdracht op het deurkozijn en de lichtschakelaar terecht zijn gekomen. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de schroevendraaier - waarop zijn DNA is aangetroffen - aan een bekende van hem heeft uitgeleend. Er kan dus niet worden uitgesloten dat de schroevendraaier door een ander dan de verdachte is gebruikt. De verdachte heeft vandaag verklaard dat hij in de woning is geweest omdat hij een schuilplek zocht en aldaar wilde slapen. De rechtbank kan hooguit tot een bewezenverklaring van huisvredebreuk komen.
4.2.3.
Beoordeling
In de periode tussen 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 heeft een inbraak plaatsgevonden in de woning van aangeefster. Uit het forensisch onderzoek volgt dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de lichtschakelaar op de muur in de woonkamer en aan de binnenzijde van het kozijn van de tuindeur. Het DNA van de verdachte is eveneens aangetroffen op een schroevendraaier die in de tuin van de woning is gevonden.
De verdachte heeft in eerste instantie iedere betrokkenheid ontkend. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij samen met anderen de woning binnen is gegaan om daar te slapen.
De rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat de verdachte de woning binnen is gegaan met het oogmerk zich wederrechtelijk goederen toe te eigenen. De weggenomen goederen zijn niet bij de verdachte aangetroffen. Daarbij komt dat de verdachte heeft verklaard met anderen te zijn geweest. Gelet op de aangifte kan tevens worden vastgesteld dat de woning meerdere dagen onbewoond is geweest, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in de woning is ingebroken of de enige is geweest die in de ten laste gelegde periode in de woning was. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde (poging) tot gekwalificeerde diefstal. Wel kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte de woning wederrechtelijk is binnengedrongen.
4.2.4.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
4.3.
Bewijswaardering (parketnummer 10/330754-22)
4.3.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de aangever moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat de verdediging niet in staat is gesteld het ondervragingsrecht uit te oefenen. De onmogelijkheid tot het uitvoeren van het ondervragingsrecht levert een schending op van artikel 6 EVRM.
4.3.2.
Beoordeling
Bruikbaarheid verklaring aangever voor het bewijs
Op 13 september 2022 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan en heeft hij een voor de verdachte belastende verklaring afgelegd. De zaak is op 12 mei 2023 verwezen naar het kabinet rechter-commissaris om [slachtoffer 2] als getuige te doen horen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris volgt dat via meerdere telefoonnummers – die bij de aangever in gebruik zouden zijn – is gepoogd om de aangever te bereiken, maar dat dit niet is gelukt. Wel is contact verkregen met Stichting de Ontmoeting. Ook daaruit is het echter onbekend gebleven waar hij verblijft, nu hij maandenlang niet meer is gezien bij deze stichting. Gelet hierop is de aangever als onvindbaar aangemerkt en is afgezien hem als getuige te horen.
De rechtbank stelt voorop dat indien de verdediging hierdoor geen behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft om het door artikel 6 lid 3, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde ondervragingsrecht uit te oefenen, een veroordeling van de verdachte desondanks in overeenstemming kan zijn met de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM. Bepalend is daarvoor, zo komt in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren, de uiteindelijke evaluatie van ‘the overall fairness of the trial’. Van belang hierbij zijn:
i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit en
iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd.
De vraag die moet worden beantwoord, is of de verklaring van de aangever als ‘sole or decisive’ bewijs dient te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige die niet gehoord kon worden groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet-bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat er compenserende factoren bestaan.
Het aan de verdachte ten laste gelegde vindt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate steun in de andere bewijsmiddelen, te weten de getuigenverklaring en de verklaring van de verdachte die hij tijdens het politieverhoor heeft afgelegd. De omstandigheid dat de verdediging de aangever niet heeft kunnen ondervragen staat dus niet in de weg aan het gebruik van de door hem afgelegde verklaring voor het bewijs. Dat er geen compenserende factoren zijn, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
Openlijke geweldpleging
Voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging dient vast te staan dat een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat door meerdere personen is uitgeoefend. Daarvoor hoeft niet te worden vastgesteld welke deelnemer welke geweldshandelingen heeft verricht.
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 13 september 2022 werd aangevallen door een groep van vijf jongens. ‘Jongen 2’ kwam als eerste op hem af, schold hem uit en gaf hem met zijn vuist een klap in zijn gezicht. Vervolgens kwamen de andere jongens erbij, pakten hem beet en gaven hem ook klappen. Dit speelde zich af in het wijkpark Oude Westen, een openbare plek. De verbalisanten die ter plaatse kwamen, hebben letsel in het gezicht van de aangever geconstateerd. De jongens zouden volgens de aangever in de richting van de Nieuwe Binnenweg zijn gelopen. Tien minuten na het incident hebben de verbalisanten drie jongens – die aan het signalement voldeden – staande gehouden op de Nieuwe Binnenweg. De verklaring van de aangever wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [naam getuige] waaruit volgt dat er een stuk of vijf mannen ruzie hadden en dat er over en weer met vuisten werd geslagen. Getuige [naam getuige] herkende de drie jongens die staande werden gehouden als de jongens die deel uitmaakten van de ruzie. Aan de aangever zijn foto’s van de drie aangehouden verdachten getoond. Bij het zien van de foto van de verdachte, verklaarde de aangever dat dit ‘Jongen 2’ was; de jongen die hem uitschold en daarna in zijn gezicht sloeg.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat twee vrienden van hem ruzie met elkaar hadden en dat hij tussenbeide is gekomen om hen uit elkaar te halen. Die verklaring acht de rechtbank, gelet op voornoemde omstandigheden en zijn eerdere verklaring bij de politie, niet geloofwaardig. Bij de politie heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij een woordenwisseling had met de aangever en dat hij geweld heeft gebruikt. Dit zou weliswaar geweest zijn om zichzelf te verdedigen, maar daar ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor nu uit het dossier blijkt dat de verdachte de agressor is geweest. Ook de medeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoor bevestigd dat de verdachte en de aangever met elkaar hebben gevochten.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte welbewust heeft deelgenomen aan het openlijk geweld en daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
4.3.3.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
4.4.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen,
houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond
daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en
overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-027790-23
onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/330754-22
primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
In de zaak met parketnummer 10-027790-23
1.
hij in de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te Rotterdam,
in de woning, gelegen aan de
[adres delict] te Rotterdam,
bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen;
In de zaak met parketnummer 10-330754-22
hij op 13 september 2022 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de West-Kruiskade,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2]
door (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het hoofd, van die [slachtoffer 2] te
stompen en/of slaan.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
In de zaak met parketnummer 10-027790-23:
Feit 1:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
In de zaak met parketnummer 10-330754-22:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Door zijn handelen heeft de verdachte samen met anderen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn en letsel toegebracht. Bovendien brengen dergelijke geweldshandelingen, die op een voor het publiek toegankelijke plaats hebben plaatsgevonden, grote gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving met zich mee.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. Met dit gedrag heeft de verdachte ervan blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Dit soort feiten zorgen voor overlast en schade en bovendien voor een onveilig gevoel bij betrokkenen en omwonenden.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor huisvredebreuk.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 57, 63, 138, 141 van het Wetboek van Strafrecht.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-027790-23 onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit en het in de zaak met parketnummer 10/330754-22 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en E.A. Kool, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Beenakker, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10-027790-23
1.
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te
Rotterdam, althans in Nederland,
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de
[adres delict] te Rotterdam, alwaar hij, verdachte,
zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een powerbank (merk: Bluebuilt) en/of
- een externe schijf (merk: Seagate) en/of
- een speaker (merk: JBL) en/of
- een rugzak (merk: Osprey) en/of
- ( sport-)kleding en/of
- een zonnebril op sterkte (merk: Ray-Ban) en/of
- een bril op sterkte (merk: Ace and Tate),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan
een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door
middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te
Rotterdam, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de
[adres delict] te Rotterdam, alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de
wil van de rechthebbende bevond,
meerdere, althans een, goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte
toebehoorde(n)
weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te
nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking
en/of inklimming,
- naar/in de (afgesloten) tuin van de woning is gegaan en/of
- een ruit van de deur van de woning heeft ingeslagen/kapot gemaakt en/of
- ( via die verbroken ruit) (het slot van) de deur van de woning heeft geforceerd en/of
(vervolgens) geopend en/of
- ( vervolgens) de woning is binnengegaan en/of (een) ruimte(s) en/of (een) kast(en)
in de woning heeft doorzocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 26 december 2022 tot en met 2 januari 2023 te
Rotterdam, althans in Nederland,
in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan de
[adres delict] te Rotterdam,
bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte, in gebruik
wederrechtelijk is binnengedrongen;
2.
hij op of omstreeks 5 januari 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,
zijn levensgezel, [slachtoffer 3] ,
heeft mishandeld door
die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, met zijn vuist(en) op/tegen haar arm(en)
en/of borst en/of buik, althans haar (boven-)lichaam, te slaan en/of stompen;
Parketnummer 10-330754-22
hij op of omstreeks 13 september 2022 te Rotterdam
openlijk, te weten op of aan de West-Kruiskade, in elk geval op of aan de openbare
weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2]
door (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het hoofd, van die [slachtoffer 2] te
stompen en/of slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 september 2022 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het
hoofd, van die [slachtoffer 2] te stompen en/of slaan.