Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-26
ECLI:NL:RBROT:2024:13392
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,326 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 26 november 2024
[verzoeker]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats 1] ,
hierna: verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 22 november 2024 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe [persoon A] , wonende te [woonplaats 2] , vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarderskantoor Velthoven De Koning (hierna: verweerder), te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen, totdat op de door verzoeker op 2 oktober 2024 ingediende verzoekschriften zal zijn beslist. Verzoeker heeft zowel een verzoek dwangakkoord (artikel 287a Fw) als een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (artikel 284 Fw) ingediend.
Beoordeling
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het exploot van 13 november 2024 heeft overgelegd, waarin wordt aangekondigd dat verweerder op
3 december 2024 uit kracht van het vonnis van de kantonrechter van 23 januari 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerder anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op de door hem ingediende verzoekschriften ex artikel 287a Fw en artikel 284 Fw in zijn huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 23 januari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker staat onder beschermingsbewind en zijn vaste lasten worden door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Het verzoek dwangakkoord en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zullen bovendien op 10 januari 2025 om 10:00 uur worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of het dwangakkoord dan wel de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verzoeker daarom zwaarder te wegen dan het belang van verweerder. De verzochte voorziening zal worden toegewezen totdat op de op 2 oktober 2024 ingediende verzoekschriften is beslist, waarbij in het belang van verweerder zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verbiedt verweerder, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, gelegen aan de:
[adres]
[postcode] [woonplaats 1] ;
- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat in eerste aanleg is beslist op het verzoek dwangakkoord (artikel 287a Fw) en/of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (artikel 284 Fw), dan wel dat deze verzoeken worden ingetrokken;
- bepaalt dat de op 2 oktober 2024 door verzoeker ingediende verzoekschriften zullen worden behandeld op 10 januari 2025 om 10:00 uur.
Deze beschikking is op 26 november 2024 gegeven door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende drie maanden na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 26 november 2024
[verzoeker]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats 1] ,
hierna: verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 22 november 2024 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe [persoon A] , wonende te [woonplaats 2] , vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarderskantoor Velthoven De Koning (hierna: verweerder), te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen, totdat op de door verzoeker op 2 oktober 2024 ingediende verzoekschriften zal zijn beslist. Verzoeker heeft zowel een verzoek dwangakkoord (artikel 287a Fw) als een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (artikel 284 Fw) ingediend.
Beoordeling
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het exploot van 13 november 2024 heeft overgelegd, waarin wordt aangekondigd dat verweerder op
3 december 2024 uit kracht van het vonnis van de kantonrechter van 23 januari 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerder anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op de door hem ingediende verzoekschriften ex artikel 287a Fw en artikel 284 Fw in zijn huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 23 januari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker staat onder beschermingsbewind en zijn vaste lasten worden door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Het verzoek dwangakkoord en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zullen bovendien op 10 januari 2025 om 10:00 uur worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of het dwangakkoord dan wel de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verzoeker daarom zwaarder te wegen dan het belang van verweerder. De verzochte voorziening zal worden toegewezen totdat op de op 2 oktober 2024 ingediende verzoekschriften is beslist, waarbij in het belang van verweerder zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verbiedt verweerder, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, gelegen aan de:
[adres]
[postcode] [woonplaats 1] ;
- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat in eerste aanleg is beslist op het verzoek dwangakkoord (artikel 287a Fw) en/of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (artikel 284 Fw), dan wel dat deze verzoeken worden ingetrokken;
- bepaalt dat de op 2 oktober 2024 door verzoeker ingediende verzoekschriften zullen worden behandeld op 10 januari 2025 om 10:00 uur.
Deze beschikking is op 26 november 2024 gegeven door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende drie maanden na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.