Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-25
ECLI:NL:RBROT:2024:13379
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,779 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 25 april 2024
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
verzoekers.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 5 april 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 april 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 april 2024.
GGN heeft namens Stichting 3B Wonen (hierna: verweerster) bij brief van 15 april 2024 de rechtbank bericht dat verweerster geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het moratoriumverzoek op voorwaarde dat verzoekers de lopende huur tijdig (blijven) betalen.
Ter zitting van 18 april 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoekers;
mr. B. El Quath, werkzaam bij ILM Advocaten, advocaat van verzoekers;
M. El Joghrafi, werkzaam bij JM Bewind en Mediation, beschermingsbewindvoerder.
Verweerster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 20 februari 2024 tot ontruiming van de woning van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers zijn als vluchtelingen naar Nederland gekomen en hebben drie minderjarige kinderen. Door privé omstandigheden zijn verzoekers in de financiële problemen gekomen. Verzoekers hebben inmiddels hulp gezocht en hebben zich onder beschermingsbewind laten stellen.
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat hij de huur van april 2024 nog niet heeft kunnen voldoen omdat hij nog geen toegang had tot de beheerrekening. Dit zou inmiddels zijn opgelost waardoor de huur van mei 2024 voor 1 mei 2024 betaald kan worden. Ook heeft hij verklaard dat verzoekers goed meewerken. Verzoeker heeft een baan in de kaasfabriek gevonden voor 16 uur per week. Daarnaast ontvangen verzoekers een (aanvullende) PW-uitkering en toeslagen. Met een inkomen van circa
€ 2.700,00 per maand kunnen verzoekers de lopende huurtermijnen van € 560,00 per maand tijdig en volledig voldoen. De beschermingsbewindvoerder waarborgt de tijdige en volledige betaling van de huurtermijnen.
3Het verweer
GGN heeft namens verweerster de rechtbank laten weten dat verweerster geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het moratoriumverzoek op voorwaarde dat verzoekers de lopende huur tijdig (blijven) betalen.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 20 februari 2024 tot ontruiming van de woning van verzoekers en een kopie van het exploot van 22 maart 2024 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 9 april 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 20 februari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben aangetoond dat zij voldoende inkomsten hebben om de lopende huurtermijn te betalen. Daarnaast hebben verzoekers zich onder beschermingsbewindvoerder laten stellen waarmee gewaarborgd wordt dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 februari 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan [adres] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 5 april 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlener die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024.