Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-25
ECLI:NL:RBROT:2024:13243
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
2,499 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11356526 VV EXPL 24-84
datum uitspraak: 25 november 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over
de goederen van [naam 1],
zaakdoende te [plaatsnaam],
eiseres,
gemachtigde: mr. D. Dekker,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AR1F Infra B.V.,
vestigingsplaats: Zwijndrecht,
gedaagde,
gemachtigde: dhr. Y. Yurtkap.
De partijen worden hierna ‘[naam 1]’ en ‘AR1F Infra’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 25 oktober 2024, met producties;
de door AR1F Infra overgelegde producties.
1.2.
Op 11 november 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [naam 1] met mr. Dekker en namens AR1F Infra [naam 2].
Geschil
De kern van de zaak
2.1.
In de kern draait het in dit kort geding om het volgende.
[naam 1] is op 15 september 2021 in dienst getreden bij AR1F Infra op basis van een uitzendovereenkomst. Op die overeenkomst is de ABU cao van toepassing.
[naam 1] heeft sinds 15 maart 2024 geen salaris meer ontvangen. Hij vordert nu betaling van zijn loon vanaf die datum. AR1F Infra betwist de vordering van [naam 1].
2.1.1.
De vorderingen van [naam 1] worden toegewezen. Hierna wordt deze beslissing uitgewerkt.
Juridisch kader kort geding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [naam 1] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor AR1F Infra als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisendheid
2.3.
[naam 1] vordert loon. Een loonvordering is naar haar aard spoedeisend. [naam 1] is in zoverre ontvankelijk in zijn vordering.
Verklaring deskundige UWV
2.4.
Over de periode van 23 mei 2024 tot 31 augustus 2024 vordert [naam 1] loon tijdens ziekte. Een dergelijke vordering moet worden afgewezen als daarbij geen verklaring van een deskundige van het UWV is gevoegd, tenzij de verhindering om de bedongen, of andere passende, arbeid te verrichten niet wordt betwist. AR1F Infra betwist niet dat [naam 1] ziek was, dus hoefde hij geen deskundigenverklaring in het geding te brengen.
Betaling van het loon
2.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is door AR1F Infra verklaard dat zij tot en met juni 2024 loon heeft betaald aan [naam 1]. AR1F Infra heeft echter geen betaalbewijzen ingebracht, maar alleen loonstroken over de periodes 4 en 5 van 2024. Nu betaalbewijzen ontbreken is haar stelling dat zij heeft betaald voorshands onvoldoende aannemelijk geworden. Dat betekent dat in het kader van dit kort geding ervan uit wordt gegaan dat vanaf 15 maart 2024 geen loon is betaald. De gevorderde betaling van loon over de periode van 15 maart 2024 tot de dag van ziekmelding (23 mei 2024) is daarom toewijsbaar.
2.6.
Voor wat betreft het gevorderde loon tijdens ziekte voert AR1F Infra als verweer aan dat zij dit niet hoeft te betalen, omdat [naam 1] recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Volgens AR1F Infra is [naam 1] ziek uit dienst is gegaan.
Van een einde aan de uitzendovereenkomst heeft AR1F Infra geen bewijsstukken in het geding gebracht. Voor zover zij heeft bedoeld dit aan te tonen met de uitzendovereenkomst Fase B, met uitzendbeding, die zij bij de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht, geldt dat deze niet is ondertekend en dat [naam 1] betwist dat deze overeenkomst tussen partijen geldt. Als echter veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat deze overeenkomst wél tussen partijen geldt, kan een beroep op het uitzendbeding AR1F Infra niet baten. De ABU cao bepaalt immers dat een uitzendovereenkomst in fase B geen uitzendbeding kan bevatten. Voorshands is hiermee aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat AR1F Infra loon tijdens ziekte aan [naam 1] moet betalen.
2.7.
Voor de hoogte van dit loon tijdens ziekte is van belang of op de arbeidsovereenkomst van partijen een cao van toepassing is en zo ja, welke. Volgens [naam 1] werkt hij sinds 2022 niet meer als uitzendkracht voor AR1F Infra, maar heeft hij nu een overeenkomst voor onbepaalde tijd, in dienst bij AR1F Infra zelf. Gelet op de werkzaamheden die AR1F Infra uitvoert, is volgens hem de cao Groen, Grond en Infrastructuur op die overeenkomst van toepassing. Deze cao bepaalt dat bij ziekte 100% van het loon moet worden doorbetaald. AR1F Infra lijkt hier tegenover te willen zetten dat de ABU cao van toepassing is.
2.7.1.
[naam 1] heeft geen schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in het geding gebracht en de overeenkomst die door is AR1F Infra is ingebracht is, zoals gezegd, niet ondertekend. Bij deze stand van zaken is bewijslevering nodig om te kunnen bepalen wat de toepasselijke cao is, maar daarvoor leent dit kort geding zich niet.
2.7.2.
Ongeacht de uitkomst van bewijslevering in een eventuele bodemzaak, heeft [naam 1] volgens de eigen stellingen van AR1F Infra tijdens ziekte in ieder geval recht op doorbetaling van 90% van zijn loon. Daarom zal hierna voor de periode van arbeidsongeschiktheid doorbetaling van 90% van het loon worden toegewezen.
2.8.
Samenvattend wordt voorshands aangenomen dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [naam 1] voor de periode van 15 maart tot 23 maart 2024 en na 31 augustus 2024 recht heeft op betaling van zijn normale, overeengekomen loon en dat hij voor de periode van arbeidsongeschiktheid (23 maart 2024 tot 31 augustus 2024) recht heeft op 90% van zijn loon. De gevorderde toekomstige salarisbetalingen worden op de hierna te vermelden manier toegewezen.
Vakantiegeld
2.9.
AR1F Infra heeft niet betwist dat in mei 2024 geen vakantiegeld is betaald. Die vordering wordt daarom ook toegewezen.
Wettelijke verhoging
2.9.
De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 20%, omdat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat in ieder geval een deel van het loon niet is betaald vanwege de slechte financiële positie van AR1F Infra en het (inmiddels) staken van haar bedrijfsactiviteiten.
Specificaties
2.10.
AR1F Infra is gehouden tot het verstrekken van salarisspecificaties. Zij zal op de hierna te vermelden manier worden veroordeeld tot afgifte daarvan. Er wordt geen aanleiding gezien om hier een dwangsom aan te verbinden.
AR1F Infra moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van AR1F Infra, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kosten die AR1F Infra aan [naam 1] moet betalen worden begroot op € 87,- aan griffierecht en € 814,- aan salaris voor de gemachtigde. Dat is totaal € 901,-. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [naam 1] met een toevoeging procedeert.
Dictum
3.1.
veroordeelt AR1F Infra aan [naam 1] te betalen het netto equivalent van € 2.130,- bruto per vier weken voor de periode van 25 maart 2024 tot 23 mei 2024 en vanaf 31 augustus 2024 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% (in geval van te late betaling) en om de over het salaris verschuldigde belastingen en premies af te dragen;
3.2.
veroordeelt AR1F Infra aan [naam 1] te betalen het netto equivalent van 90% van
€ 2.130,- bruto per vier weken voor de periode van 23 mei 2024 tot 31 augustus 2024, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en om de over dit achterstallige salaris verschuldigde belastingen en premies af te dragen;
3.3.
veroordeelt AR1F Infra aan [naam 1] te betalen het netto equivalent van € 2.070,02 bruto aan vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% en om de over dit bedrag verschuldigde belastingen en premies af te dragen;
3.4.
veroordeelt AR1F Infra om van de hiervoor genoemde bedragen een deugdelijke specificatie op te stellen, uitgesplitst per tijdvak van vier weken;
3.5.
veroordeelt AR1F Infra in de proceskosten, die aan de kant van [naam 1] worden begroot op € 901,-;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken.
783
Artikel 7:629a BW
Artikel 9 lid 3 ABU cao
Artikel 25 ABU cao
Artikel 7:626 BW