Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-09
ECLI:NL:RBROT:2024:13202
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,129 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 9 september 2024
in de zaak van:
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 14 mei 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:
- [naam 1] en [naam 2], in behandeling bij Baijens Gerechtsdeurwaarder;
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 9 september 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw C.J. de Koning, schuldhulpverlener,
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift tien schuldeisers, waarvan twee preferente en acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 20.939,54 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 19 december 2023 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 5,56% aan de preferente schuldeisers en 2,78% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar WW-uitkering. Verzoekster is voor 26,59% arbeidsongeschikt verklaard. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam 1] en [naam 2] stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van € 3.867,71 op verzoekster, welke 18,47% van de totale schuldenlast beloopt.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben [naam 1] en [naam 2] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam 1] en [naam 2] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam 1] en [naam 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam 1] en [naam 2] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 18,47%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negen van de tien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Sociale Dienst Drechtsteden. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster is voor 26,59% arbeidsongeschikt verklaard door het UWV. De rechtbank is, gelet op de tijdens de zitting besproken informatie, van oordeel dat verzoekster de komende achttien maanden niet in staat zal zijn om te werken. Verzoekster heeft borstkanker gehad en heeft hierdoor nog steeds te kampen met gezondheidsklachten. Gelet op de aard van deze klachten en de geplande medische ingreep, eveneens in verband met de borstkanker, acht de rechtbank het aannemelijk dat verzoekster de komende achttien maanden niet in staat zal zijn om haar werkzaamheden te hervatten. Zij doorloopt op dit moment een re-integratietraject en zal een traject ‘bevorderen maatschappelijke deelname’ doorlopen gericht op het volhouden en uitbreiden van haar uren in vrijwilligerswerk. Verzoekster is derhalve in deze periode aangewezen op haar WW-uitkering. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [naam 1] en [naam 2], die geweigerd hebben in te stemmen.
Het verzoek om [naam 1] en [naam 2] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[naam 1] en [naam 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt [naam 1] en [naam 2] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [naam 1] en [naam 2] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 september 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.