Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-23
ECLI:NL:RBROT:2024:13043
Civiel recht
Kort geding
1,535 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/688924 / KG ZA 24-1052
Vonnis in kort geding van 23 december 2024
in de zaak van
TRUCKCENTER VEENDAM B.V.,
statutaire vestigingsplaats: Veendam,
eiseres,
advocaat mr. M. Walvius te Hoogeveen,
tegen
REHAAN TRANSPORT B.V.,
statutaire vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [naam] (bestuurder).
De partijen worden hierna ‘Truckcenter Veendam’ en ‘Rehaan Transport’ genoemd.
1Waar gaat de zaak over?
1.1.
Op 9 september 2024 hebben de partijen tijdens de mondelinge behandeling van een procedure bij de kantonrechter in deze rechtbank afspraken met elkaar gemaakt. Eén van die afspraken is dat Rehaan Transport diezelfde dag uiterlijk om 15:00 uur een trekker aan Truckcenter Veendam moest inleveren. Rehaan Transport is die afspraak niet nagekomen. Daarom vordert Truckcenter Veendam in deze zaak alsnog afgifte van de trekker, onder druk van een dwangsom. Rehaan Transport is het niet eens met de vordering van Truckcenter Veendam, omdat zij de trekker niet meer in haar bezit heeft en zij de trekker om die reden ook niet meer aan Truckcenter Veendam kan afgeven. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Truckcenter Veendam af. Dit wordt hierna uitgelegd.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 22 november 2024, met bijlagen 1 tot en met 5;
de mondelinge behandeling op 9 december 2024;
het schriftelijke verweer van Rehaan Transport, dat haar vertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling heeft overhandigd.
Beoordeling
3.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de partijen het erover eens zijn dat zij hadden afgesproken dat Rehaan Transport de trekker uiterlijk op 9 september 2024 om 15:00 uur bij Truckcenter Veendam moest inleveren en dat Rehaan Transport dit desondanks niet heeft gedaan. Normaal gesproken zou dit voldoende grond zijn om Rehaan Transport te veroordelen om de trekker alsnog aan Truckcenter Veendam af te geven (en dus de gemaakte afspraak na te komen) en om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden. Die dwangsom vormt dan een prikkel voor Rehaan Transport om de veroordeling nu wel na te komen.
3.2.
In dit geval is sprake van een situatie waarin Rehaan Transport aanvoert dat zij de trekker niet meer in haar bezit heeft en ook niet weet waar de trekker op dit moment is. Volgens Rehaan Transport heeft zij de trekker in januari 2024 op een openbare parkeerplaats geparkeerd, heeft zij sindsdien niet meer met de trekker gereden en kwam Rehaan Transport er op 9 september 2024 (na afloop van de mondelinge behandeling van de procedure bij de kantonrechter in deze rechtbank) pas achter dat de trekker niet meer op de openbare parkeerplaats stond.
3.3.
Hoewel de voorzieningenrechter het verhaal van Rehaan Transport ongeloofwaardig vindt, mede omdat Rehaan Transport geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij niet meer over de sleutels van het originele contactslot van de trekker beschikt, kan zij niet vaststellen of Rehaan Transport nog over de trekker beschikt of weet waar de trekker zich bevindt. De voorzieningenrechter kan niet uitsluiten dat de trekker is gestolen of op andere wijze is ont- of vervreemd. Truckcenter Veendam heeft ook niets concreets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat Rehaan Transport de trekker nog in haar bezit heeft of dat zij weet waar de trekker zich bevindt.
3.4.
Bij deze stand van zaken, waarin niet kan worden vastgesteld óf Rehaan Transport nog over de trekker beschikt of weet waar de trekker zich bevindt, kan Rehaan Transport niet worden veroordeeld om de trekker onder druk van een dwangsom aan Truckcenter Veendam af te geven. Een dwangsom is namelijk bedoeld om druk uit te oefenen op de veroordeelde om de veroordeling na te komen. Daaruit volgt logischerwijs dat een dwangsom niet kan worden gekoppeld aan een veroordeling waarvan onzeker is of de veroordeelde die überhaupt kan nakomen. Een ander oordeel zou betekenen dat de dwangsom in feite verwordt tot een boete en dat is niet de bedoeling van een dwangsom.
3.5.
Gelet op de afspraken die de partijen bij de kantonrechter hebben gemaakt en die door de deurwaarder ten uitvoer kunnen worden gelegd, heeft Truckcenter Veendam onvoldoende belang bij enkel een veroordeling van Rehaan Transport om de trekker aan Truckcenter Veendam af te geven. Truckcenter Veendam heeft ook niet gesteld dat zij daar belang bij heeft.
3.6.
De conclusie luidt dan ook dat de vorderingen van Truckcenter Veendam wordt afgewezen.
3.7.
Truckcenter Veendam is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rehaan Transport worden begroot op:
- griffierecht € 688,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 866,00
3.8.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt Truckcenter Veendam in de proceskosten van € 866,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Truckcenter Veendam niet op tijd aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Truckcenter Veendam € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
3349 / 3577