Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-17
ECLI:NL:RBROT:2024:12894
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
1,774 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
zaaknummer / rolnummer: C/10/688988 / KG ZA 24-1055
Vonnis in kort geding van 17 december 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1],
eiseres,
advocaat mr. R.E. Gout de Kreek te Geervliet,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding met producties van de vrouw van 15 november 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 december 2024. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [naam].
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] (roepnaam: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
Geschil
3.1.
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
de vrouw toestemming te verlenen, welke toestemming die van de man vervangt, [minderjarige] te laten vaccineren tegen de griep (hierna ook: de griepprik);
althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;
kosten rechtens.
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Griepprik
4.1.
Hoewel uit de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis volgt dat vervangende toestemming bij verzoekschrift moet worden gevraagd aan de kinderrechter (en niet bij dagvaarding aan de voorzieningenrechter), zal de vrouw, om proceseconomische redenen en vanwege het spoedeisend karakter van de zaak toch in haar vordering worden ontvangen. Daarbij zal de voorzieningenrechter bovendien in haar hoedanigheid van kinderrechter beslissen.
4.2.
Het voor een kort geding benodigde spoedeisend belang is een gegeven, omdat de vaccinatie ziet op het lopende griepseizoen en het tot eind deze maand nog mogelijk is om een griepprik te ontvangen.
4.3.
De vraag ligt voor of aan de vrouw vervangende toestemming gegeven moet worden om [minderjarige] te laten vaccineren tegen de griep. Daarbij is van belang dat de vordering ziet op een medische handeling. [minderjarige] is twaalf jaar. Op grond van artikel 7:450 lid 2 BW is het uitgangspunt dat in zo’n geval toestemming van de gezaghebbende ouders nodig is én van [minderjarige]. In dit geval is echter de uitzondering van artikel 7:465 lid 2 BW van toepassing. [minderjarige] heeft het syndroom van Down en is hierdoor niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Dat is ook niet in geschil tussen ouders. Dit betekent dat het aan de gezaghebbende ouders is om een beslissing te nemen over de griepprik.
4.4.
Partijen verschillen van mening over de noodzaak van de griepprik. De vrouw vindt kort gezegd vanwege de lichamelijke kwetsbaarheid van [minderjarige] een griepprik nodig. De man stelt, samengevat, dat niet bekend is welke nadelen dan wel bijwerkingen de griepprik heeft voor kinderen met het syndroom van Down. Ook is niet zeker of het vaccin werkt en ook is niet gebleken dat er een medische indicatie is voor een griepprik.
4.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval een griepprik in het belang is van [minderjarige]. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen met het syndroom van Down lichamelijk kwetsbaar zijn. Dat is bij [minderjarige] ook gebleken. In de zomer van dit jaar heeft [minderjarige] twee weken op de intensive care verbleven met ernstige longcomplicaties (mycoplasma). Bovendien heeft [minderjarige] vorig jaar griep gekregen, gevolgd door een longontsteking. De griepprik kan in ieder geval enige bescherming bieden voor [minderjarige]. Dat het vaccin de kans op griep niet volledig vermindert, zoals de man stelt, betekent niet dat daarom geen toestemming moet worden verleend. Dat in dit geval aannemelijk is dat het risico op griep verkleind wordt, is voldoende om aan te nemen dat het in het belang van [minderjarige] is. Bovendien is [minderjarige] ook uitgenodigd door de huisarts voor een griepprik. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat de huisarts in ieder geval geen contra-indicatie ziet voor een griepprik. Ook de raad vindt de griepprik in het belang van [minderjarige]. Tot slot is van nadelen voor [minderjarige] ook niet gebleken. De man heeft over zulke nadelen ook geen verdere duidelijkheid verschaft.
4.6.
De vordering van de vrouw wordt, gelet op het voorgaande, toegewezen.
4.7.
Tot besluit spreekt de voorzieningenrechter de hoop uit dat de ouders beter met elkaar gaan praten. Dat lukt tot nu toe onvoldoende, zoals ook blijkt uit deze procedure. Dit voorjaar zijn door deze rechtbank partijen al op het hart gedrukt om hulpverlening te zoeken voor de communicatie. Gebleken is dat de man hiervoor openstaat, maar dat de vrouw hiervoor op dit moment geen ruimte ziet vanwege de zorg voor [minderjarige]. De voorzieningenrechter begrijpt dat de zorg voor [minderjarige] veel van ouders vraagt. Tegelijkertijd is het ook in het belang van hun zoon dat zij samen goed met elkaar kunnen praten. De voorzieningenrechter roept partijen dan ook nogmaals op om hiervoor hulp te zoeken.
Proceskosten
4.8.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de voorzieningenrechter dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verleent de vrouw toestemming, welke toestemming die van de man vervangt, om [minderjarige] te laten vaccineren tegen de griep;
5.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024.