Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-16
ECLI:NL:RBROT:2024:12890
Civiel recht
Kort geding
2,537 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/689570 / KG ZA 24-1095
Vonnis in kort geding van 16 december 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
[persoon A]
,
woonplaats: Julianadorp,
eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. J.H. Prins te Den Helder,
tegen
[persoon B]
,
woonplaats: Schiedam,
gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. D. Abotay te Schiedam.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
1Waar gaat de zaak over?
1.1.
[persoon B] is in het bezit van een kat genaamd [naam kat 1] . [persoon A] stelt dat zij de eigenaresse van [naam kat 1] is en dat [persoon B] [naam kat 1] – ondanks herhaalde verzoeken – niet aan haar wil afgeven. Daarom vordert [persoon A] in deze zaak dat [persoon B] wordt veroordeeld om [naam kat 1] binnen één dag na betekening van dit vonnis aan [persoon A] af te geven, onder druk van een dwangsom. [persoon B] is het niet eens met de vordering van [persoon A] , omdat hij stelt eigenaar althans bezitter van [naam kat 1] te zijn. Voor het geval dat de voorzieningenrechter toch tot het oordeel komt dat [persoon A] recht heeft op afgifte van [naam kat 1] vordert [persoon B] dat wordt gelast dat zijn eigen kat [naam kat 2] ook aan [persoon A] wordt overgedragen. De voorzieningenrechter veroordeelt [persoon B] (onder druk van een dwangsom) om [naam kat 1] binnen één week na vandaag aan [persoon A] af te geven en wijst de voorwaardelijke tegenvordering van [persoon B] af. Dit wordt hierna uitgelegd.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 3 december 2024, met bijlagen 1 tot en met 5;
de nadien aanvullend toegezonden bijlagen 6 tot en met 8 van [persoon A] ;
de conclusie van antwoord tevens eis in (toevoeging voorzieningenrechter: voorwaardelijke) reconventie, met bijlagen 1 tot en met 5;
de bijlage 6 van [persoon B] ;
de mondelinge behandeling op 12 december 2024;
de pleitnota van mr. Prins.
Beoordeling
[persoon B] moet [naam kat 1] aan [persoon A] afgeven
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [persoon A] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de eigenaresse van [naam kat 1] is. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat [persoon A] op het garantiecertificaat van de fokker van [naam kat 1] staat vermeld als “koper” (bijlage 2 van [persoon A] ), dat op dit certificaat met zoveel woorden staat dat de fokker [naam kat 1] verkoopt aan koper en dat het garantiecertificaat door de fokker en [persoon A] is ondertekend. Verder heeft [persoon A] met een bankafschrift onderbouwd dat zij voor [naam kat 1] de koopprijs heeft betaald aan de fokker (bijlage 3 van [persoon A] ). [persoon B] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook erkend dat [persoon A] voor [naam kat 1] de koopprijs van € 1.000,00 heeft betaald.
Het verweer van [persoon B] dat [persoon A] [naam kat 1] in opdracht van [persoon B] heeft gekocht en dat was afgesproken dat [persoon B] het aankoopbedrag in termijnen aan haar zou terugbetalen, treft geen doel. [persoon B] heeft deze stellingen, die door [persoon A] worden betwist, op geen enkele wijze met stukken, zoals bijvoorbeeld WhatsApp-gesprekken of e-mails, onderbouwd. Sterker nog, uit de e-mailcorrespondentie tussen de partijen voorafgaand aan deze zaak (bijlage 4 van [persoon A] ) blijkt juist dat [persoon B] zich toen op het standpunt stelde dat hij eigenaar van [naam kat 1] was geworden doordat hij kosten had gemaakt om [naam kat 1] te verzorgen en dus niet omdat [persoon A] [naam kat 1] in zijn opdracht en (uiteindelijk) voor zijn rekening had gekocht. De omstandigheden dat [persoon B] beschikt over de papieren van [naam kat 1] en dat [naam kat 1] sinds de aankoop bij [persoon B] verblijft, maakt de voorgaande conclusie niet anders. Dit alles is verklaarbaar in het licht van de toelichting die de partijen hebben gegeven, namelijk dat zij zouden gaan samenwonen en [naam kat 1] daarop vooruitlopend (en om de kat van [persoon B] , [naam kat 2] , gezelschap te houden) alvast bij [persoon B] is gaan verblijven.
3.2.
Omdat voldoende aannemelijk is geworden dat [persoon A] de eigenaresse van [naam kat 1] is, moet [persoon B] [naam kat 1] aan [persoon A] afgeven. Anders dan [persoon B] stelt, biedt de omstandigheid dat [persoon B] op dit moment het bezit heeft van [naam kat 1] geen bescherming tegen de door [persoon A] als eigenaar gevorderde afgifte. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [naam kat 1] en [naam kat 2] (en [persoon B] ) een band hebben opgebouwd.
3.3.
[persoon A] heeft een spoedeisend belang bij afgifte van [naam kat 1] , omdat de band die [naam kat 1] met [naam kat 2] (en [persoon B] ) heeft alleen maar sterker wordt naarmate de tijd verstrijkt en het dus in het belang van [persoon A] (en [naam kat 1] , [naam kat 2] en [persoon B] ) is als [naam kat 1] zo snel mogelijk aan de nieuwe situatie kan wennen. De vordering van [persoon A] wordt dan ook toegewezen, maar wel met de bepaling dat [persoon B] [naam kat 1] binnen één week (en dus niet binnen de erg korte termijn van één dag) na vandaag (en dus niet pas na betekening van dit vonnis) aan [persoon A] moet afgeven. Hoewel [persoon A] niet heeft gevorderd dat [persoon B] ook de papieren van [naam kat 1] aan haar moet afgeven, ligt het voor de hand dat [persoon B] daar – om een volgende procedure te voorkomen – gelijktijdig met de afgifte van [naam kat 1] aan [persoon A] toe overgaat.
De dwangsom
3.4.
Gelet op de voorafgaand aan deze zaak aanhoudende weigering van [persoon B] om [naam kat 1] aan [persoon A] af te geven, acht de voorzieningenrechter het noodzakelijk om als stok achter de deur een dwangsom op te leggen, zoals [persoon A] ook vordert. De dwangsom wordt gesteld op € 100,00 per dag met een maximum van € 2.500,00.
De voorwaardelijke eis in reconventie (tegenvordering)
3.5.
Aangezien de vordering van [persoon A] wordt toegewezen, treedt de voorwaarde waaronder [persoon B] zijn voorwaardelijke eis in reconventie (tegenvordering) heeft ingesteld in vervulling en moet de voorzieningenrechter die tegenvordering beoordelen. De tegenvordering wordt afgewezen. Hoewel het te prijzen is dat [persoon B] zich het welzijn van zijn eigen kat [naam kat 2] (en [naam kat 1] ) zo aantrekt dat hij als tegenvordering vordert dat [persoon A] dan ook [naam kat 2] van hem moet overnemen zodat [naam kat 2] niet van [naam kat 1] wordt gescheiden, bestaat voor toewijzing van deze tegenvordering geen enkele wettelijke grondslag. [naam kat 2] blijft dus bij [persoon B] .
De proceskosten
3.6.
Hoewel deze zaak samenhangt met de afwikkeling van de relatie die de partijen hebben gehad en het uitgangspunt in dat soort zaken is dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt, hebben beide partijen tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij van dat uitgangspunt willen afwijken en dat de andere partij in de proceskosten moet worden veroordeeld. Gelet hierop veroordeelt de voorzieningenrechter [persoon B] , als de partij die ongelijk krijgt, in de proceskosten (inclusief nakosten).
3.7.
De proceskosten van [persoon A] in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 136,72
- griffierecht € 320,00
- salaris advocaat € 715,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.349,72
3.8.
De proceskosten van [persoon A] in voorwaardelijke reconventie worden begroot op nihil, omdat het debat tussen partijen (vrijwel) alleen is gegaan over de vordering in conventie en [persoon A] dus geen extra kosten heeft hoeven maken om zich tegen de tegenvordering van [persoon B] te verweren.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.9.
Dit vonnis wordt voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Dictum
De voorzieningenrechter:
in conventie
4.1.
veroordeelt [persoon B] om de kat genaamd [naam kat 1] binnen één week na vandaag aan [persoon A] af te geven;
4.2.
veroordeelt [persoon B] om aan [persoon A] te betalen een dwangsom van € 100,00 per dag dat hij niet (op tijd) aan de veroordeling onder 4.1. voldoet, met dien verstande dat [persoon B] maximaal € 2.500,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
4.3.
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten van € 1.349,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [persoon B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [persoon B] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst al het andere af;
in voorwaardelijke reconventie
4.6.
wijst de vorderingen af;
4.7.
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten, die worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 16 december 2024.
3349 / 1582