Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-13
ECLI:NL:RBROT:2024:12832
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,111 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/672633 / JE RK 24-175 en C/10/681631 / JE RK 24-1315
Datum uitspraak: 13 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats],
advocaat mr. N. Schuerman, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 19 maart 2024 in de zaak met zaaknummer C/10/672633 /JE RK 24-175 en de rectificatie van die beschikking;
het gezinsplan van de GI van 17 mei 2024, ontvangen op 6 juni 2024;
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 6 juni 2024, ontvangen op 6 juni 2024 en ingeschreven onder zaaknummer C/10/681631 / JE RK 24-1315.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaken met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon 1];
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon 2] en [persoon 3].
1.3.
De moeder en haar advocaat zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en haar advocaat wel juist zijn opgeroepen. De moeder heeft kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan de rechtbank laten weten dat zij niet de behoefte heeft om te worden gehoord door de kinderrechter.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 19 september 2024. Het overig verzochte ten aanzien van [minderjarige] is aangehouden tot 1 augustus 2024 pro forma.
3De verzoeken
met zaaknummer C/10/672633 / JE RK 24-175
3.1.
De Raad heeft een ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De kinderrechter moet nog een beslissing nemen over de resterende zes maanden.
met zaaknummer C/10/681631 / JE RK 24-1315
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De Raad brengt ter zitting het volgende naar voren. Er is nog een lange weg te gaan. In kleine stapjes wordt gewerkt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en hem zijn plek te laten vinden in de maatschappij. Hopelijk kan [minderjarige] goed profiteren van de hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom nog zeker een jaar nodig. In dat kader ondersteunt de Raad het verzoek van de GI. Als het verzoek van de GI wordt toegewezen, trekt de Raad het verzoek in.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. Vanuit Needed People was een jongerencoach betrokken die een goede klik had met [minderjarige]. Die jongerencoach moest per direct stoppen bij Needed People, waarna de hulpverlening voor [minderjarige] stil kwam te liggen. De betreffende jongerencoach heeft aangegeven dat hij ook bij een andere organisatie werkzaam is die hetzelfde werk doet. Er staat nu eind augustus 2024 een intake gepland bij Ambulant Team Marathon van iHub om te kijken of er een samenwerking kan worden aangegaan met die organisatie. De GI verwacht dat daar geen bezwaren tegen zijn. Na de zomervakantie gaat de GI in overleg met school en het samenwerkingsverband om in kleine stappen [minderjarige] weer schoolse taken te laten uitvoeren. Er zit een lichte verbetering in het dag- en nachtritme van [minderjarige]. Binnenkort gaat Needed People aan de slag met een diagnostisch onderzoek bij [minderjarige]. Daarnaast zou de gezinsdiagnostiek door Needed People kunnen worden opgepakt. Dit is nodig om de moeder meer in haar kracht te kunnen zetten om de kinderen aan te sturen. De jongerencoach van [minderjarige] was al gestart met de gezinsdiagnostiek, maar ook dat ligt nu stil. Het is ook mogelijk om de gezinsdiagnostiek door het Ambulant Team Marathon te laten uitvoeren.
De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt goed. De moeder is aanwezig bij afspraken en reageert tijdig op WhatsApp-berichten. Ook werkte zij goed mee met de jongerencoach. De moeder heeft nog stappen te maken in het aansturen en motiveren van de kinderen. Er worden regelmatig evaluatiegesprekken gehouden met de moeder om te kijken hoe het gaat. Een overdracht naar het vrijwillig kader is nog niet aan de orde, omdat de hulpverlening dan niet van de grond zal komen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar is nodig, omdat het met de huidige lange wachtlijsten veel tijd kost om de hulpverlening op poten te zetten.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling.
5.2.
De kinderrechter moet allereerst de vraag beantwoorden of [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Die vraag moet de kinderrechter bevestigend beantwoorden. Bij beschikking van 19 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI vanwege ernstige zorgen over zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. De ontwikkeling van [minderjarige] werd bedreigd door verschillende heftige incidenten die in de periode voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 19 maart 2024 hadden plaatsgevonden. De thuissituatie bij de moeder was onveilig, waarbij de moeder
onvoldoende thuis was voor de kinderen, onvoldoende toezicht hield en ook niet bereikbaar was. Daarnaast kampt [minderjarige] met persoonlijke problematiek en stagneerde zijn schoolgang. Hoewel er kleine stapjes in de goede richting worden gezet door [minderjarige] en de moeder, zijn de hiervoor genoemde zorgen nog steeds aanwezig. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
5.3.
Vervolgens moet de kinderrechter de vraag beantwoorden of de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is door [minderjarige] en/of de ouders niet of niet voldoende wordt geaccepteerd. Ook deze vraag moet de kinderrechter bevestigend beantwoorden. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder goed in contact is met de GI en op dit moment meewerkt met de hulpverlening. Tegelijkertijd heeft de bereidheid van de moeder om de hulpverlening te aanvaarden nog niet geleid tot een aanzienlijke verbetering van de situatie voor [minderjarige].
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI aangegeven dat de jongerencoach van [minderjarige] op dit moment niet meer betrokken is. Wel ziet de GI mogelijkheden om diezelfde jongerencoach via een andere organisatie in te zetten voor [minderjarige]. Dat is belangrijk, aangezien [minderjarige] een goede band heeft met deze jongerencoach. De jongerencoach motiveerde [minderjarige] om naar de dagbesteding te gaan en werkte met hem aan zijn dag- en nachtritme. Het is belangrijk dat dit de komende tijd wordt voortgezet. Verder zal de komende periode diagnostisch onderzoek bij [minderjarige] worden verricht. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek kan (indien nodig) passende hulpverlening voor [minderjarige] worden ingezet. Daarnaast zal worden ingezet op gezinsdiagnostiek om meer zicht te krijgen op de onderlinge verhoudingen binnen het gezin. Als de gezinsdiagnostiek daar aanleiding toe geeft, kan de GI een specialistische vorm van systeemhulp, zoals Multisysteem Therapie (MST), inzetten. Na de zomervakantie gaat de GI met de school van [minderjarige] en het samenwerkingsverband bekijken hoe [minderjarige] in kleine stappen weer kan wennen aan het uitvoeren van schoolse taken.
5.5.
Aangezien de genoemde onderzoeken nog moeten plaatsvinden, de jongerencoach nu niet betrokken is, en eventueel aanvullende hulpverlening nog moet worden ingeschakeld, overweegt de kinderrechter dat een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend is.
5.6.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.
5.7.
Nu het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar zal worden toegewezen, komt het belang bij de beoordeling van het verzoek van de Raad te vervallen. De kinderrechter zal het resterend deel van het verzoek van de Raad daarom afwijzen.
5.8
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat deze beslissing meteen uitgevoerd kan worden, ook als er hoger beroep zou worden ingesteld.
Dictum
De kinderrechter:
zaaknummer C/10/681631 / JE RK 24-1315
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 19 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
zaaknummer C/10/672633 / JE RK 24-175
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 22 augustus 2024.
6.3.
wijst het verzoek van de Raad af, voor zover daarop niet eerder is beslist.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:260, eerste lid, BW.