Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-13
ECLI:NL:RBROT:2024:12831
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
5,922 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/681841 / JE RK 24-1368
Datum uitspraak: 13 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ([geboorteland]),
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. K. el Joghrafi, kantoorhoudende te Hoogvliet Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 juli 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het eindverslag Traject Rotterdams Omgangshuis van 22 april 2024 en het gezinsplan van de GI van 12 juli 2024, overgelegd door de GI en ontvangen op 8 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk Arabisch, [persoon 1];
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon 2].
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 21 augustus 2024. Het resterend deel van het verzoek is aangehouden.
3Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Er is al een beslissing genomen over de periode van 21 juli 2024 tot 21 augustus 2024. De kinderrechter moet nog beslissen op de periode tot 21 januari 2025.
3.3.
De GI handhaaft het verzoek en biedt - alvorens het verzoek toe te lichten - haar excuses aan voor het feit dat er weinig gebeurd is in het afgelopen half jaar. Dat is niet juist en slecht voor de kinderen. Inmiddels is er een vast contactpersoon vanuit cluster 7 betrokken bij het gezin. De GI ziet nog steeds een enorme ontwikkelingsbedreiging voor beide kinderen. Het is belangrijk dat de kinderen contact met beide ouders hebben, maar het lijkt alsof de moeder het niet belangrijk vindt dat de kinderen de vader kennen. De kinderen krijgen van de moeder geen emotionele toestemming om de vader zien. Hierdoor wordt de identiteitsontwikkeling van de kinderen bedreigd.
Sinds kerst 2023 is [minderjarige 2] wat dromeriger op school en komt hij wat minder goed mee met de klassikale instructie. Dat is ook het moment waarop de bezoeken met de vader zijn gestopt. Dit kan verband met elkaar houden. De GI wil de bezoekmomenten tussen de vader en de kinderen weer zo snel mogelijk opstarten. Gekeken moet worden hoe de kinderen reageren op de bezoeken. Wellicht is een KIES-training voor de kinderen passend. Daarnaast wil de GI gaan inzetten op trajecten gericht op het ouderschap na een scheiding.
Binnen de GI zal zeker nog eens onder de aandacht worden gebracht dat dit gezin een vaste jeugdbeschermer nodig heeft.
4De standpunten
4.1.
De vader is het eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij brengt, mede bij monde van zijn advocaat, het volgende naar voren. Het valt op dat er weinig is gebeurd de laatste tijd. Ook mist het verzoek veel informatie. Er wordt gesproken over ouders die hun strijd niet kunnen staken en dat het de ouders niet lukt om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Dat is echter niet aan de vader te wijten. Hij staat al jaren met zijn rug tegen de muur. De vader krijgt niet de kans om met de moeder te communiceren en wordt al bijna zeven jaar weggehouden bij de kinderen. De vader werkt hard en is bereid om alles te doen voor zijn kinderen. Wellicht kan in de beoordeling van de beschikking worden opgenomen dat moet worden toegewerkt naar contact tussen de vader en de kinderen.
De moeder zegt dat de kinderen haar nieuwe partner zien als ‘pappa’. Het is logisch dat de kinderen dit zo zien, maar zodoende wordt de vader volledig buiten beeld geplaatst. Het lukt de moeder om dit in stand te houden doordat er onvoldoende regie is vanuit de GI. Het is belangrijk dat de moeder emotionele toestemming geeft aan de kinderen voor contact met de vader en dat zij positief praat over de vader met de kinderen.
Verder staat in het verzoek dat de vader in het verleden niet heeft willen tekenen voor ouderbemiddeling, maar de reden daarvoor wordt niet genoemd. Er speelde destijds een zakelijk conflict tussen de vader en opa. De vader kon die procedure niet zomaar stopzetten en dat was wel een voorwaarde om het traject van ouderschapsbemiddeling aan te kunnen gaan. De vader is voorstander van Parallel Solo Ouderschap (PSO). Dat is geen ideale situatie, maar wel het meest passend onder deze omstandigheden. Er moet met de ouders worden gesproken over hun houding ten opzichte van elkaar. Het is fijn om te horen dat er een vast contactpersoon is die dit kan oppakken.
4.2.
De moeder voert, mede bij monde van haar advocaat, verweer tegen het verzoek van de GI. Tijdens de laatste twee mondelinge behandelingen werd door de vader en de GI hetzelfde naar voren gebracht. Er is nu een vast contactpersoon, [persoon 3]. Onlangs nam [persoon 3] contact op met de moeder en gaf zij aan dat zij helemaal geen informatie heeft gekregen van de vorige contactpersoon. De GI benoemt dat sprake is van een bedreiging voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Dat risico is er altijd als er geen omgang is tussen een vader en zijn kind(eren). Het is inderdaad belangrijk dat de kinderen weten waar zij vandaag komen, maar dat kan ook de moeder hen vertellen. Het klopt dat de kinderen de stiefvader zien als hun vader. De kinderen zijn allebei zeer moeilijk lerend. Het is voor hen lastig om onderscheid te maken tussen een vader en een vaderfiguur. De kinderen komen niets te kort dankzij de inspanningen van de moeder. De ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen zal op een andere manier moeten worden aangepakt dan via een ondertoezichtstelling.
Er wordt gezegd dat [minderjarige 2] sinds kerst 2023 moeite heeft met school. Dat klopt niet, want die problemen spelen al langer. Over [minderjarige 1] zegt de GI niets. Uit een verslag van april 2024 over de training van [minderjarige 1] volgt dat [minderjarige 1] meer kennis heeft over de basisemoties. Hij kan alle emoties benoemen, maar het herkennen is lastig voor hem. Dat strookt niet met de uitspraak van de GI dat de kinderen “gewoon” omgang met de vader kunnen hebben op het kantoor van de GI. Bij een eerdere beschikking heeft de kinderrechter overwogen dat rekening houdend met de specifieke ontwikkelingsbehoeften van de kinderen moet worden gekeken welke mogelijkheden er zijn als het gaat om omgang tussen de vader en de kinderen. De advocaat van de vader stelt voor om een regeling over de omgang tussen de vader en de kinderen op te nemen in de beschikking, maar zover is het nog lang niet.
Verder ontbreekt een duidelijk plan bij de GI wat betreft de inzet van hulpverlening voor de ouders.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de resterende duur van vijf maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.2.
De concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gelegen in de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. De ouders zijn nog altijd niet in staat om met elkaar te communiceren en de kinderen hebben daar last van. Zij raken in een loyaliteitsconflict, wat heel schadelijk is voor hun ontwikkeling. School ziet signalen waaruit kan worden afgeleid dat de kinderen last hebben van de strijd tussen de ouders en de spanningen rondom het contact met de vader. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn kwetsbare kinderen. Het is daarom extra zorgelijk dat zij worden belast met de echtscheidingsproblematiek.
5.3
Anders dan door de vader is verzocht zal de kinderrechter geen contactregeling vaststellen. Daarvoor is op dit moment te weinig informatie. Wel benadrukt de kinderrechter dat in de komende periode moet worden gekeken naar de mogelijkheden in het contact tussen de vader en de kinderen. Daarbij moet goed worden gekeken wat passend is voor de kinderen, waarbij rekening wordt gehouden met de kind-eigenproblematiek. Het is namelijk belangrijk dat de kinderen weten wie hun vader is en dat de moeder positief over de vader praat tegen en in het bijzijn van de kinderen. Een ouderschapstraject kan daarin helpend zijn. In overleg met de ouders kan de GI een traject als PSO of Ouderschap Na Scheiding inzetten. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de GI nu wel regie gaat voeren. Het is positief dat er nu een vast contactpersoon vanuit cluster 7 betrokken is bij het gezin, maar dat is niet voldoende. De kinderrechter geeft de GI dan ook mee om te bekijken of de komende periode een vaste jeugdbeschermer voor dit gezin kan worden ingezet.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 21 januari 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 22 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/681841 / JE RK 24-1368
Datum uitspraak: 13 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ([geboorteland]),
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. K. el Joghrafi, kantoorhoudende te Hoogvliet Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2],
advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 juli 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het eindverslag Traject Rotterdams Omgangshuis van 22 april 2024 en het gezinsplan van de GI van 12 juli 2024, overgelegd door de GI en ontvangen op 8 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat en bijgestaan door een tolk Arabisch, [persoon 1];
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon 2].
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 21 augustus 2024. Het resterend deel van het verzoek is aangehouden.
3Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Er is al een beslissing genomen over de periode van 21 juli 2024 tot 21 augustus 2024. De kinderrechter moet nog beslissen op de periode tot 21 januari 2025.
3.3.
De GI handhaaft het verzoek en biedt - alvorens het verzoek toe te lichten - haar excuses aan voor het feit dat er weinig gebeurd is in het afgelopen half jaar. Dat is niet juist en slecht voor de kinderen. Inmiddels is er een vast contactpersoon vanuit cluster 7 betrokken bij het gezin. De GI ziet nog steeds een enorme ontwikkelingsbedreiging voor beide kinderen. Het is belangrijk dat de kinderen contact met beide ouders hebben, maar het lijkt alsof de moeder het niet belangrijk vindt dat de kinderen de vader kennen. De kinderen krijgen van de moeder geen emotionele toestemming om de vader zien. Hierdoor wordt de identiteitsontwikkeling van de kinderen bedreigd.
Sinds kerst 2023 is [minderjarige 2] wat dromeriger op school en komt hij wat minder goed mee met de klassikale instructie. Dat is ook het moment waarop de bezoeken met de vader zijn gestopt. Dit kan verband met elkaar houden. De GI wil de bezoekmomenten tussen de vader en de kinderen weer zo snel mogelijk opstarten. Gekeken moet worden hoe de kinderen reageren op de bezoeken. Wellicht is een KIES-training voor de kinderen passend. Daarnaast wil de GI gaan inzetten op trajecten gericht op het ouderschap na een scheiding.
Binnen de GI zal zeker nog eens onder de aandacht worden gebracht dat dit gezin een vaste jeugdbeschermer nodig heeft.
4De standpunten
4.1.
De vader is het eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij brengt, mede bij monde van zijn advocaat, het volgende naar voren. Het valt op dat er weinig is gebeurd de laatste tijd. Ook mist het verzoek veel informatie. Er wordt gesproken over ouders die hun strijd niet kunnen staken en dat het de ouders niet lukt om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Dat is echter niet aan de vader te wijten. Hij staat al jaren met zijn rug tegen de muur. De vader krijgt niet de kans om met de moeder te communiceren en wordt al bijna zeven jaar weggehouden bij de kinderen. De vader werkt hard en is bereid om alles te doen voor zijn kinderen. Wellicht kan in de beoordeling van de beschikking worden opgenomen dat moet worden toegewerkt naar contact tussen de vader en de kinderen.
De moeder zegt dat de kinderen haar nieuwe partner zien als ‘pappa’. Het is logisch dat de kinderen dit zo zien, maar zodoende wordt de vader volledig buiten beeld geplaatst. Het lukt de moeder om dit in stand te houden doordat er onvoldoende regie is vanuit de GI. Het is belangrijk dat de moeder emotionele toestemming geeft aan de kinderen voor contact met de vader en dat zij positief praat over de vader met de kinderen.
Verder staat in het verzoek dat de vader in het verleden niet heeft willen tekenen voor ouderbemiddeling, maar de reden daarvoor wordt niet genoemd. Er speelde destijds een zakelijk conflict tussen de vader en opa. De vader kon die procedure niet zomaar stopzetten en dat was wel een voorwaarde om het traject van ouderschapsbemiddeling aan te kunnen gaan. De vader is voorstander van Parallel Solo Ouderschap (PSO). Dat is geen ideale situatie, maar wel het meest passend onder deze omstandigheden. Er moet met de ouders worden gesproken over hun houding ten opzichte van elkaar. Het is fijn om te horen dat er een vast contactpersoon is die dit kan oppakken.
4.2.
De moeder voert, mede bij monde van haar advocaat, verweer tegen het verzoek van de GI. Tijdens de laatste twee mondelinge behandelingen werd door de vader en de GI hetzelfde naar voren gebracht. Er is nu een vast contactpersoon, [persoon 3]. Onlangs nam [persoon 3] contact op met de moeder en gaf zij aan dat zij helemaal geen informatie heeft gekregen van de vorige contactpersoon. De GI benoemt dat sprake is van een bedreiging voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Dat risico is er altijd als er geen omgang is tussen een vader en zijn kind(eren). Het is inderdaad belangrijk dat de kinderen weten waar zij vandaag komen, maar dat kan ook de moeder hen vertellen. Het klopt dat de kinderen de stiefvader zien als hun vader. De kinderen zijn allebei zeer moeilijk lerend. Het is voor hen lastig om onderscheid te maken tussen een vader en een vaderfiguur. De kinderen komen niets te kort dankzij de inspanningen van de moeder. De ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen zal op een andere manier moeten worden aangepakt dan via een ondertoezichtstelling.
Er wordt gezegd dat [minderjarige 2] sinds kerst 2023 moeite heeft met school. Dat klopt niet, want die problemen spelen al langer. Over [minderjarige 1] zegt de GI niets. Uit een verslag van april 2024 over de training van [minderjarige 1] volgt dat [minderjarige 1] meer kennis heeft over de basisemoties. Hij kan alle emoties benoemen, maar het herkennen is lastig voor hem. Dat strookt niet met de uitspraak van de GI dat de kinderen “gewoon” omgang met de vader kunnen hebben op het kantoor van de GI. Bij een eerdere beschikking heeft de kinderrechter overwogen dat rekening houdend met de specifieke ontwikkelingsbehoeften van de kinderen moet worden gekeken welke mogelijkheden er zijn als het gaat om omgang tussen de vader en de kinderen. De advocaat van de vader stelt voor om een regeling over de omgang tussen de vader en de kinderen op te nemen in de beschikking, maar zover is het nog lang niet.
Verder ontbreekt een duidelijk plan bij de GI wat betreft de inzet van hulpverlening voor de ouders.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de resterende duur van vijf maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.2.
De concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gelegen in de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. De ouders zijn nog altijd niet in staat om met elkaar te communiceren en de kinderen hebben daar last van. Zij raken in een loyaliteitsconflict, wat heel schadelijk is voor hun ontwikkeling. School ziet signalen waaruit kan worden afgeleid dat de kinderen last hebben van de strijd tussen de ouders en de spanningen rondom het contact met de vader. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn kwetsbare kinderen. Het is daarom extra zorgelijk dat zij worden belast met de echtscheidingsproblematiek.
5.3
Anders dan door de vader is verzocht zal de kinderrechter geen contactregeling vaststellen. Daarvoor is op dit moment te weinig informatie. Wel benadrukt de kinderrechter dat in de komende periode moet worden gekeken naar de mogelijkheden in het contact tussen de vader en de kinderen. Daarbij moet goed worden gekeken wat passend is voor de kinderen, waarbij rekening wordt gehouden met de kind-eigenproblematiek. Het is namelijk belangrijk dat de kinderen weten wie hun vader is en dat de moeder positief over de vader praat tegen en in het bijzijn van de kinderen. Een ouderschapstraject kan daarin helpend zijn. In overleg met de ouders kan de GI een traject als PSO of Ouderschap Na Scheiding inzetten. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de GI nu wel regie gaat voeren. Het is positief dat er nu een vast contactpersoon vanuit cluster 7 betrokken is bij het gezin, maar dat is niet voldoende. De kinderrechter geeft de GI dan ook mee om te bekijken of de komende periode een vaste jeugdbeschermer voor dit gezin kan worden ingezet.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 21 januari 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 22 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.