Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-05
ECLI:NL:RBROT:2024:12751
Bestuursrecht
Proces-verbaal
2,943 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10407
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
5 december 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, de burgemeester
(gemachtigde: mr. L. Krabbenborg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Hef Wonen uit Rotterdam.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker dat gaat over de verlenging van de sluiting van zijn woning aan de [adres] te Rotterdam (hierna: de woning) met twee maanden.
1.1.
Met het bestreden besluit van 7 november 2024 heeft de burgemeester daartoe besloten, omdat in de woning sprake was van een illegale seksinrichting. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker huurt sinds 8 oktober 2015 de woning. Stichting Hef Wonen is eigenaar van de woning.
2.1.
In de bestuurlijke rapportage van 8 oktober 2024 heeft de politie de volgende bevindingen opgenomen. Op 4 oktober 2024 werd door medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) in hun hoedanigheid als toezichthouders, contact gelegd met iemand die seksuele handelingen met een ander tegen betaling aanbood via een advertentie op de website kinky.nl. Via Whatsapp is een gesprek gestart met de sekswerker, waarbij een afspraak werd gemaakt om seks te hebben. De sekswerker heeft vervolgens het adres van de woning doorgegeven. In de woning waren twee Spaanstalige vrouwen aanwezig. Beide vrouwen verklaarden dat zij sekswerk verrichtten en dat zij dit vrijwillig deden. De politie constateerde verder dat de vrouwen uit hun koffers leefden. Ook zag dat politie dat een doos condooms, diverse flesjes met onder andere baby crème en glijmiddel in de woning aanwezig waren.
2.2.
Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester met het besluit van 10 oktober 2024 de woning met spoed voor de duur van één maand gesloten. De burgemeester heeft met het bestreden besluit van 7 november 2024 een verlenging van de sluiting noodzakelijk geacht om de openbare orde te herstellen.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoeker is het niet eens met de verlenging van de sluiting van zijn woning. Hij wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat hij zijn woning weer in kan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
6. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij het voeren van deze procedure, omdat hij op dit moment geen toegang tot zijn woning heeft.
Inhoudelijk
7. Wanneer de burgemeester een woningsluiting wenst te verlengen, dient hij daartoe bevoegd te zijn en dient de verlenging noodzakelijk en evenwichtig te zijn. De voorzieningenrechter vindt allereerst dat de burgemeester in dit geval bevoegd was om de woningsluiting te verlengen. Verzoeker heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit ten onrechte alleen artikel 3:9a van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV) staat genoteerd en dat dat artikel niet de bevoegdheid tot het opleggen van een (verlenging van) sluiting geeft. Wat de voorzieningenrechter betreft kan de bevoegdheidsgrondslag in het bestreden besluit worden aangevuld, nu niet in geschil is dat de bevoegdheid op basis van de Gemeentewet bestaat. De voorzieningenrechter ziet in dit standpunt van verzoeker onvoldoende om aan te nemen dat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was. Hetzelfde geldt voor de grond van verzoeker dat de bestuurlijke rapportage ten onrechte niet een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt document is. Hoewel een bestuurlijke rapportage idealiter op ambtseed of ambtsbelofte wordt opgemaakt, betekent dat in deze zaak nog niet dat aan de rapportage geen waarde mag worden gehecht. De burgemeester heeft terecht verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) hierover. De voorzieningenrechter ziet ook in de kanttekeningen die verzoeker inhoudelijk heeft gemaakt bij de rapportage geen aanknopingspunten om aan de inhoud daarvan te twijfelen. De burgemeester mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom afgaan op de bestuurlijke rapportage. Wat daarin beschreven staat kan worden gezien als een overtreding van de APV, namelijk dat zich in verzoekers woning een illegale seksinrichting bevond. Het alternatieve scenario dat verzoeker ter zitting heeft geschetst zou in theorie waar kunnen zijn, maar de voorzieningenrechter vindt dat gelet op de omschreven feiten aangenomen kan worden dat zich in de woning illegale activiteiten hebben afgespeeld.
8. Wanneer de burgemeester bevoegd is, dient te worden beoordeeld of de verlenging van de sluiting ook noodzakelijk en evenwichtig is. De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op de evenwichtigheid. Hoewel de belangen voor verzoeker groot zijn, vindt de voorzieningenrechter dat de burgemeester de belangenafweging op deze manier heeft mogen maken. Het is wel zo dat de burgemeester in het bestreden besluit de belangen van verzoeker niet kenbaar heeft gewogen omdat verzoeker geen zienswijze had ingediend. Verzoeker heeft gesteld dat hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat verzoeker had kunnen weten dat hij een zienswijze kon indienen. Die brief was immers naar zijn adres gestuurd en verzoeker had zijn postbus moeten legen. De voorzieningenrechter heeft grote twijfel over dit standpunt van de burgemeester, aangezien zo van verzoeker veel wordt gevraagd. Toen zijn woning dicht was verbleef hij immers bij zijn vader, bij andere mensen of bij zijn ex-partner. Het standpunt van de burgemeester dat van verzoeker kan worden gevergd dat hij alsnog zijn postbus had moeten legen, zodat de burgemeester daardoor niets met (het ontbreken van) de zienswijze hoefde doen, laat de voorzieningenrechter nu verder in het midden. Op de zitting heeft de burgemeester namelijk alsnog goed kunnen uitleggen hoe op de naar voren gebrachte bijzondere omstandigheden in het kader van de evenwichtigheid wordt gereageerd. Dat maakt dat de voorzieningenrechter oordeelt dat dit gebrek in het besluit op bezwaar kan worden hersteld. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een bijzondere emotionele binding heeft met het pand omdat hij daar al acht jaar woont. Dat is geen bijzondere binding op bijvoorbeeld medische gronden of anderszins, waardoor van verlenging van de sluiting zou moeten worden afgezien. Ten aanzien van de gevolgen die de verlenging van de sluiting heeft voor het huurcontract van verzoeker met Stichting Hef Wonen, heeft de burgemeester aangegeven dit mee te wegen, maar stelt de burgemeester ook dat dit van Stichting Hef Wonen afhangt. De voorzieningenrechter kan het standpunt van de burgemeester volgen dat de mogelijke ontbinding van het huurcontract niet valt of staat met de sluiting van de woning. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat hij op straat zal komen te staan nu de sluiting van zijn woning is verlengd. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de nare situatie waarin verzoeker zit, heeft de voorzieningenrechter gelet op wat op de zitting is besproken niet het idee dat er een scenario bestaat waarbij verzoeker helemaal nergens bij anderen terecht kan. Zowel op dit punt, als op het punt over de mogelijke gevolgen voor de bijstandsuitkering van verzoeker, waarover de burgemeester heeft gezegd dat de uitkering niet in gevaar is, volgt de voorzieningenrechter de burgemeester.
9. De voorzieningenrechter ziet desondanks aanleiding om het bestreden besluit te schorsen omdat hij onder aan de streep niet overtuigd is van de onderbouwing van de noodzaak van de verlenging van de sluiting. De voorzieningenrechter volgt hierin verzoeker in zijn betoog. In het bestreden besluit staat dat de situatie dermate ernstig is dat verder herstel van de openbare orde noodzakelijk is en dat er onvoldoende waarborgen ter voorkoming van herhaling bestaan. De voorzieningenrechter vindt deze onderbouwing van de noodzakelijkheid in dit geval te mager.
Conclusie
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na het besluit op bezwaar. Dat betekent dat de woning van verzoeker per direct geopend dient te worden.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
13. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2024 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd dit proces-verbaal te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:113.