Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-13
ECLI:NL:RBROT:2024:12684
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,109 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10698852 CV EXPL 23-25060
datum uitspraak: 13 december 2024 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A]
,
woonplaats: Rotterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. I.B. Jansen,
tegen
[persoon B]
,
woonplaats: Schiedam,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. J-M.F. Honders,
en
Newington Investments Europe B.V.,
vestigingsplaats: Schiedam,
gevoegde partij,
gemachtigde: mr. J-M.F. Honders.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’ en ‘Newington’ genoemd.
1De verdere procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het vonnis van 30 augustus 2024 en de daarin genoemde stukken;
de akte van [persoon A] ;
de akte van [persoon B] .
2De verdere beoordeling
2.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen [persoon A] en haar - inmiddels overleden - stiefvader [persoon C] sprake was van een onderhuurovereenkomst. Ter onderbouwing van haar stelling dat daar inderdaad sprake van was, heeft [persoon A] een schriftelijke, ondertekende onderhuurovereenkomst van 4 januari 2021 en zeventien ondertekende kwitanties in het geding gebracht. Volgens [persoon A] blijkt het bestaan van de onderhuurovereenkomst uit het door haar overgelegde document en blijkt uit de kwitanties dat zij in de periode van januari 2021 tot en met mei 2022 maandelijks de huur contant aan [persoon C] betaalde. [persoon B] betwist dat er een onderhuurovereenkomst tussen [persoon A] en [persoon C] heeft bestaan en heeft in dat verband betwist dat de handtekening op de onderhuurovereenkomst en de kwitanties van [persoon C] is.
2.2.
In het vonnis van 30 augustus 2024 is overwogen dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. [persoon A] en [persoon B] hebben ieder een andere deskundige voorgesteld. Gelet daarop zal de kantonrechter de volgende, onafhankelijke persoon als deskundige benoemen, om de vragen te beantwoorden die in de beslissing staan (artikel 194 Rv):
De heer drs. P.L. Zevenbergen
Forensisch schriftexpert
[adres]
[postcode] [woonplaats]
Telefoon: [gsm-nummer]
E-mail: zevenbergen.schrift@gmail.com
2.3.
De deskundige heeft de kosten voor het onderzoek begroot op € 2.937,28 inclusief btw (circa 13,5 uren met een uurtarief van € 180,-).
2.4.
De hoogte van het voorschot wordt vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag. Omdat [persoon A] procedeert met een toevoeging wordt - anders dan in het tussenvonnis van 30 augustus 2024 is bepaald - aan haar geen voorschot opgelegd (artikel 195 Rv).
2.5.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de aan de deskundige voor te leggen vragen. [persoon A] heeft gesteld dat [persoon C] zowel in december 2008 als in augustus 2009 een beroerte heeft gehad. Gelet daarop acht de kantonrechter de door [persoon B] voorgestelde vraag of er in de handtekeningen verschillen zijn aan te wijzen, die duiden op een verandering in de gezondheid en/of leeftijd van de persoon die de handtekening heeft gezet, een waardevolle toevoeging. Dat geldt ook voor de vraag hoe aannemelijk het is dat de handtekeningen op de kwitanties iedere maand opnieuw zijn geplaatst. Deze aanvullende vragen zullen dan ook aan de deskundige worden voorgelegd. De kantonrechter neemt de overige voorgestelde vragen niet over, omdat die naar haar oordeel niet van toegevoegde waarde zijn in aanvulling op de reeds voorgestelde vragen.
2.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
beveelt een deskundigenonderzoek om de volgende vragen te beantwoorden:
Kunt u vaststellen of en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekeningen onder de tekst “ [persoon C] ” op pagina 2 van de als productie 4 bij de dagvaarding van 28 februari 2023 in het geding gebrachte huurovereenkomst door [persoon C] is geplaatst?
Kunt u vaststellen of en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekeningen op de zeventien handgeschreven kwitanties over de periode van januari 2021 tot en met mei 2022, zoals in het geding gebracht bij productie 9 van de dagvaarding van 28 februari 2023, door [persoon C] zijn geplaatst?
Hoe aannemelijk is het dat de handtekeningen op de kwitanties iedere maand opnieuw zijn geplaatst, en derhalve niet in één enkele ‘tekensessie’?
Zijn er in de handtekeningen verschillen aan te wijzen, die duiden op een verandering in de gezondheid en/of leeftijd van de persoon die de handtekening heeft gezet?
Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoord onder 1. tot en met 4. bent gekomen?
Heeft u voldoende (vergelijkings)materiaal ontvangen en/of kunnen verzamelen om een gedegen antwoord op de vragen te kunnen geven en zo nee, welk materiaal ontbreekt?
Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
3.2.
benoemt tot deskundige:
De heer drs. P.L. Zevenbergen
Forensisch schriftexpert
[adres]
[postcode] [woonplaats]
Telefoon: [gsm-nummer]
E-mail: zevenbergen.schrift@gmail.com
3.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 2.937,28 inclusief btw;
3.4.
bepaalt dat op grond van artikel 195 jo. artikel 199 lid 3 Rv het voorschot hangende de procedure ten laste van ’s-Rijks kas in debet zal worden gesteld;
3.5.
bepaalt dat [persoon A] ten behoeve van het onderzoek in elk geval de originele onderhuurovereenkomst en de 17 originele kwitanties aan de deskundige doet toekomen;
3.6.
bepaalt dat de deskundige zich houdt aan de Leidraad deskundigen in civiele zaken (hierna: ‘leidraad’) en de gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken (zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) en wijst in het bijzonder op de informatie over het beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van het communiceren met en door de partijen;
3.7.
bepaalt dat de partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld om op- en aanmerkingen op het concept rapport te maken;
3.8.
bepaalt dat de deskundige het definitieve rapport uiterlijk drie maanden na de start van het onderzoek inlevert en dat als deze termijn niet haalbaar blijkt de deskundige de kantonrechter en de partijen dat zo spoedig mogelijk laat weten en ook welke termijn wel haalbaar is;
3.9.
bepaalt dat de deskundige bij de inlevering van het rapport een eindnota voegt die voldoet aan de eisen zoals opgenomen in de leidraad;
3.10.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek onderbreekt als dreigt dat het voorschot wordt overschreden en in dat geval een schriftelijk verzoek aan de kantonrechter doet om een aanvullend voorschot;
3.11.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
44487