Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-15
ECLI:NL:RBROT:2024:12582
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,165 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
verzoek toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 15 augustus 2024
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
De beschermingsbewindvoerder van verzoeker heeft op 14 mei 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoeker is vanwege zijn gezondheidssituatie niet in staat om gehoord te worden. Hij werd ter zitting van 8 augustus 2024 vertegenwoordigd door de beschermingsbewindvoerder, mevrouw Amsterdam namens Beschermingsbewindkantoor Nederland B.V. [persoon A] , schuldhulpverlener namens [persoon B] c.s. was eveneens aanwezig.
De uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
Verzoeker verblijft vanwege zijn gezondheidssituatie in een verpleeghuis bij Laurens, waar hij 24 uur per dag begeleiding krijgt. Hij heeft meerdere herseninfarcten gehad waardoor hij gedeeltelijk is verlamd. Omdat verzoeker ook lijdt aan Afasie, is hij niet in staat om een gesprek te voeren; hij werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn beschermingsbewindvoerder en een schuldhulpverlener.
De schuldhulpverlener van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat zij zich, samen met de beschermingsbewindvoerder, genoodzaakt voelde om iets te doen aan de schuldensituatie van verzoeker. Omdat de huidige omstandigheden waarin verzoeker verkeert zorgen voor beperkte mogelijkheden en verzoeker niet in staat is zelf zijn wil te bepalen, hebben de beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverlener samen besloten alsnog een verzoek in te dienen, ondertekend door de beschermingsbewindvoerder van verzoeker.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank vindt dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het behoort niet tot de taak van de beschermingsbewindvoerder om zelfstandig een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te doen (Hoge Raad 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010). Het valt buiten haar taakveld en bevoegdheden. Zij heeft het beheer over de onder bewind staande goederen en kan daarover beschikken (met machtiging soms van de kantonrechter) maar het indienen van een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan niet als daad van beheer worden beschouwd en behoort niet tot de taak van de beschermingsbewindvoerder. Nu de schuldenaar kennelijk wilsonbekwaam is kan de beschermingsbewindvoerder wat dat betreft de schuldenaar ook niet met diens volmacht vertegenwoordigen.
Verzoeker zal op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank heeft de beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverlener ter zitting gewezen op de mogelijke alternatieven om de schuldensituatie van verzoeker aan te pakken:
De wet voorziet in andere mogelijkheden indien de rechthebbende wilsonbekwaam is en niet zelf een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in kan dienen. Bijvoorbeeld via het (alsnog aanvragen van het) curatorschap (art. 1: 378 BW e.v.). Een curator heeft wél de bevoegdheid om een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen.
Daarnaast bestaat de route van art. 284 lid 4 Fw. Als het voor een schuldenaar niet mogelijk is om zelf een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te doen, kan het verzoek ook worden gedaan door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente waarin deze persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft. Het college handelt dan niet namens de schuldenaar, maar ten behoeve van de schuldenaar (zie ook artikel 287 lid 6 en lid 7 Fw).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.