Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-15
ECLI:NL:RBROT:2024:12496
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,055 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10951890 CV EXPL 24-5327
datum uitspraak: 15 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: Zutphen,
eiseres,
gemachtigde: mr. M.T. Bader,
tegen
[gedaagde]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland en elders,
gedaagde,
gemachtigde: mr G. Grijs.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 21 november 2023, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte overlegging bewijsstukken van [eiseres] van 10 oktober 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 10 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren alleen de gemachtigden van partijen aanwezig.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] heeft een bemiddelingsovereenkomst bestaan, die is aangegaan op 8 mei 2023. Op basis van deze overeenkomst heeft [eiseres] bemiddeld bij de opvang van het kind van [gedaagde] bij een gastouder. Op grond van de overeenkomst met [eiseres] moest [gedaagde] de opvangkosten voor de gastouder plus een bedrag aan bemiddelingskosten aan [eiseres] betalen.
2.2.
[eiseres] eist in deze procedure betaling van facturen betreffende opvang van het kind van [gedaagde] plus bemiddelingskosten en een bedrag van € 24,95 aan registratiekosten. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 4.528,77. Daarnaast eist zij buitengerechtelijke kosten en rente.
2.3.
[gedaagde] erkent dat haar kind één week opvang heeft genoten bij de gastouder. Zij betwist ook de registratiekosten, het bedrag voor deze opvang (40 uur à € 6,50 per uur) en (een maal) bemiddelingskosten van € 51,83 niet (in totaal € 336,78). Volgens [gedaagde] hoeft zij (toch) niets te betalen, omdat [eiseres] niet heeft voldaan aan de eis om bepaalde informatie precontractueel te verstrekken. Meer in het bijzonder zou zij [gedaagde] niet hebben geïnformeerd over haar herroepingsrecht. Volgens [gedaagde] wordt dit recht op grond van artikel 6:230o lid 2 BW verlengd tot het moment waarop alle informatie wel is verstrekt. Omdat dit niet is gebeurd, kon [gedaagde] – zo stelt zij – de overeenkomst bij brief van 24 april 2024 ontbinden en kan [eiseres] geen aanspraak meer maken op enige betaling.
[gedaagde] is in beginsel de registratiekosten, de kosten voor één week opvang en (een maal) bemiddelingskosten aan [eiseres] verschuldigd
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de overeenkomst met [eiseres] op 24 april 2024 niet meer kon ontbinden met een beroep op haar herroepingsrecht. [eiseres] heeft bij haar akte overlegging bewijsstukken een e-mail overgelegd van 8 mei 2023, waarin [gedaagde] is gewezen op dat herroepingsrecht. Ook het daarbij behorende modelformulier voor herroeping is door [eiseres] overgelegd. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze e-mail aan haar gestuurd is, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat [eiseres] dit heeft gedaan. Dat betekent dat geen sprake is van een verlengd herroepingsrecht na het verstrijken van de wettelijke termijn van 14 dagen na de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] in beginsel de kosten voor één week opvang aan [eiseres] verschuldigd is. Vast staat immers dat tussen [eiseres] een overeenkomst heeft bestaan op grond waarvan [gedaagde] moet betalen voor genoten opvang en bemiddelingskosten. In deze procedure is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van méér dan 40 uur opvang, zodat alleen de kosten voor deze uren worden toegewezen. [eiseres] baseert haar vordering namelijk (alleen) op de stelling dat [gedaagde] 661 uur opvang heeft afgenomen voor haar dochter, maar [gedaagde] heeft dit betwist. [eiseres] heeft nagelaten (met stukken) te onderbouwen dat er daadwerkelijk 661 uur opvang is verleend en/of dat [gedaagde] urenstaten heeft geaccordeerd waaruit blijkt dat meer dan 40 uur sprake is geweest van opvang. Ook de registratiekosten en (een maal) bemiddelingskosten moeten door [gedaagde] worden betaald.
Ambtshalve toetsing informatieverplichtingen
2.6.
De overeenkomst is gesloten op afstand, namelijk via e-mail. [eiseres] moest bij of voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomst bepaalde informatie aan [gedaagde] (een consument) verstrekken en deze informatie bevestigen op een duurzame gegevensdrager. In dit geval heeft [eiseres] de overeenkomst per e-mail aan [gedaagde] toegestuurd ter ondertekening. De overeenkomst geldt daarom als precontractuele informatie en ook als duurzame gegevensdrager.
2.7.
De Hoge Raad heeft beslist dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of aan een aantal informatieverplichtingen is voldaan. Het gaat dan om de informatie waaraan de wet een specifieke sanctie verbindt als deze niet wordt gegeven en om de informatie waaraan extra gewicht moet worden toegekend. Dit zijn de essentiële informatieverplichtingen. De Hoge Raad heeft ook beslist dat de rechter de overeenkomst geheel of gedeeltelijk moet vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n verplichting.
2.8.
De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld. Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting wordt verminderd met 25% bij maximaal drie voldoende ernstige schendingen en met 50% bij meer dan drie voldoende ernstige schendingen. Bij de precontractuele informatieverplichtingen geldt dat meerdere voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieverplichtingen die onder dezelfde letter van artikel 6:230m lid 1 BW vallen samen worden geteld als één schending. Eventuele schendingen van de verplichting om de informatie te bevestigen op een duurzame gegevensdrager worden gerekend als één schending.
2.9.
Hierna zal worden beoordeeld of aan de informatieverplichtingen is voldaan. Alleen als er sprake is van een voldoende ernstige schending van een informatieverplichting, zal die informatieverplichting hierna worden besproken.
De wijze van betaling
2.10.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder g BW moet de wijze van betaling worden getoond. Het gaat daarbij om de wijze waarop de consument mag betalen en de termijn(en) waarbinnen moet worden betaald. Als de betaling loopt via een derde partij (niet zijnde een bank) dan moet dit ook worden vermeld. [eiseres] heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder g BW is geschonden, zowel precontractueel als bij het bevestigen op een duurzame gegevensdrager.
Het ontbindingsrecht (herroepingsrecht)
2.11.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder h BW moet de consument erop worden gewezen dat hij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is voldoende dat de consument erop wordt gewezen dat hij dit recht heeft. Niet voldoende is dat deze informatie ergens op de website staat. Niet gebleken is dat [gedaagde] precontractueel op een voldoende duidelijke wijze is gewezen op het herroepingsrecht. In de overeenkomst staat hier namelijk niets over vermeld. [eiseres] heeft een e-mail van 8 mei 2023 overgelegd, maar niet gebleken is dat die is verstuurd vóórdat [gedaagde] de overeenkomst tekende. De kantonrechter beschouwt deze e-mail wel als een bevestiging op een duurzame gegevensdrager. Daarom is er alleen sprake van een schending in de precontractuele fase.
Conclusie
2.12.
De kantonrechter zal op grond van de hiervoor vastgestelde schendingen van informatieverplichtingen de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van [gedaagde] wordt verminderd met 25%. Er is in dit geval namelijk sprake van niet meer dan drie voldoende ernstige schendingen, namelijk twee schendingen in de precontractuele fase (wijze van betaling en herroepingsrecht) en één bij de bevestiging op de duurzame gegevensdrager (de wijze van betaling). De betalingsverplichting van [gedaagde] bedroeg 311,83 voor opvangkosten (40 uur opvang à € 6,50 per uur en € 51,83 bemiddelingskosten) en €24,95 aan administratiekosten (in verband met het aangaan van de overeenkomst). Dat is in totaal € 336,78. Hiervan is 75% toewijsbaar, dus € 252,59.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
2.13.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de algemene voorwaarden van [eiseres] staan hierover namelijk oneerlijke bepalingen en wel in artikel 7.2 en artikel 7.3. Omdat die bepaling oneerlijk zijn, mag [eiseres] daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. Artikel 7.2 is oneerlijk, omdat daarin staat dat [eiseres] na tien dagen een aanmaning mag sturen en daarvoor € 7,50 aan kosten in rekening mag brengen. Dat is in strijd met artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom worden de incassokosten afgewezen.
2.14.
Artikel 7.3 is oneerlijk , omdat daarin staat dat [gedaagde] alle schade moet betalen als zij te laat betaalt. Op grond van de wet zou [gedaagde] alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [eiseres] wijkt met deze bepaling dus in het nadeel van een consument af van de wet door te suggereren dat alle schade moet worden betaald. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk en daarom wordt ook de rente afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.15.
De kantonrechter ziet in de uitkomst van deze procedure reden om de proceskosten te compenseren. Enerzijds is [eiseres] niet zonder reden gaan procederen, want [gedaagde] heeft helemaal niets betaald en dat is niet juist. Aan de andere kant wordt het grootste deel van de vordering van [eiseres] afgewezen. Daarom vindt de kantonrechter het redelijk dat beide partijen hun eigen kosten dragen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 252,59;
3.2.
compenseert de proceskosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
51909
Zie de artikelen 6:230m e.v. van het Burgerlijk Wetboek
Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677
Deze richtlijn is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)