Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-06
ECLI:NL:RBROT:2024:12252
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,231 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11128264 CV EXPL 24-13662
datum uitspraak: 6 december 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
woonplaats: Huis ter Heide,
eiseres,
gemachtigde: mr. H.H. Göertz,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: E.H. de Jongh.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 7 mei 2024, met bijlagen;
het antwoord, met één bijlage.
1.2.
Op 5 november 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiseres] met mevrouw [persoon A] en haar gemachtigde. Ook is [gedaagde] met haar gemachtigde verschenen.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] heeft eind 2018 aan [gedaagde] een bedrag van € 20.000,- in contanten gegeven. In deze procedure eist [eiseres] terugbetaling van dit bedrag, te vermeerderen rente en buitengerechtelijke kosten. [eiseres] grondt haar vordering daarbij primair op onverschuldigde betaling en subsidiair ongerechtvaardigde verrijking. [gedaagde] is het niet eens met de eis en stelt dat het bedrag van € 20.000,- aan haar is geschonken. Beoordeeld moet dan ook worden of [gedaagde] al dan niet gehouden is tot terugbetaling van het bedrag van € 20.000,- aan [eiseres] .
Wat is er gebeurd?
2.2.
Partijen hebben ieder een eigen lezing van de feitelijke gang van zaken. Zo heeft [eiseres] ter onderbouwing van haar eis aangevoerd dat bij haar medio 2018 kanker is gediagnostiseerd. Aangezien bij [eiseres] de vrees bestond dat zij deze ziekte niet zou overleven heeft zij, om haar uitvaart te bekostigen, eind 2018 een bedrag van € 20.000,- in bewaring gegeven aan [gedaagde] . [gedaagde] kreeg daarbij de opdracht dit bedrag onder zich te houden om een eventuele uitvaart te bekostigen. Nadat [eiseres] eind 2023 ‘schoon’ is verklaard van haar ziekte, heeft zij [gedaagde] gevraagd om teruggave van het bedrag van € 20.000,-. [gedaagde] heeft echter geweigerd dit bedrag terug te geven.
2.3.
[gedaagde] erkent dat zij van [eiseres] een bedrag van € 20.000,- in contanten heeft ontvangen. Volgens [gedaagde] is dit bedrag echter aan haar geschonken en is zij dan ook niet gehouden tot teruggave daarvan. Over bewaring, een begrafenis of welke voorwaarde dan ook is volgens [gedaagde] door [eiseres] bij overhandiging van het bedrag van € 20.000,- niet gesproken. Het bedrag is inmiddels uitgegeven en kan door [gedaagde] ook niet meer worden terugbetaald.
Wettelijk kader
2.4.
[eiseres] baseert haar eis primair op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 lid 2 BW en subsidiair ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).
2.5.
Uit artikel 6:203 lid 1 BW volgt dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag, aldus lid 2.
2.6.
Uit artikel 6:212 lid 1 BW volgt daarnaast dat hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplichting is, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
De stelplicht en bewijslast rusten op [eiseres]
2.7.
Niet in geschil is tussen partijen dat [eiseres] aan [gedaagde] eind 2018 een envelop met € 20.000,- in contanten heeft gegeven en dat naast partijen ook de moeder van [gedaagde] daarbij aanwezig was. Het voorgaande is door [gedaagde] namelijk erkend en staat dan ook in rechte vast.
2.8.
Wel heeft [gedaagde] betwist dat het geld aan haar is overhandigd zonder een rechtsgrond. Volgens [gedaagde] is er sprake geweest van een schenking en is er bij de overhandiging van het geld niets besproken over daaraan verbonden voorwaarden, bewaring of het regelen van de begrafenis. In dit kader heeft [gedaagde] er onder meer op gewezen dat er niets op papier is gezet over de door [eiseres] gestelde voorwaarden. Bovendien was [eiseres] al benoemd tot executeur, zodat zij uit dien hoofde de begrafenis al moest regelen.
2.9.
Op degene die een vordering uit onverschuldigde betaling tegen een ander instelt, rust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij die ander een goed heeft gegeven zonder dat daarvoor een rechtsgrond aanwezig is. Dit volgt uit de hoofdregel van artikel 150 Rv. Degene die de vordering instelt beroept zich immers op het rechtsgevolg daarvan, te weten dat op de ander een verbintenis is komen te rusten tot teruggave.
2.10.
In het onderhavige geval geldt dat op [eiseres] de stelplicht - en bij gemotiveerde betwisting ook de bewijslast - rust van de omstandigheid dat zij aan [gedaagde] een contant bedrag van € 20.000,- heeft gegeven zonder dat daarvoor een rechtsgrond aanwezig is. Dat [gedaagde] zich, in het kader van haar betwisting, op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schenking, brengt niet mee dat zij daarvan de bewijslast draagt. [eiseres] heeft dit weliswaar gesteld, maar heeft niet kunnen onderbouwen op basis waarvan zij van mening is dat van de hoofdregel van artikel 150 Rv moet worden afgeweken.
2.11.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] ligt het op de weg van [eiseres] om het bewijs van haar stelling, inhoudende dat er geen rechtsgrond is voor de betaling aan [gedaagde] van het contante bedrag van € 20.000,-, te leveren. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling (als productie 1 bij dagvaarding) enkel een afdruk van een tussen partijen gevoerd WhatsApp-gesprek overgelegd. Hieruit kan naar het oordeel van de kantonrechter echter geen erkenning van [gedaagde] van de stelling van [eiseres] worden afgeleid. De juistheid van de stelling van [eiseres] staat (vooralsnog) dan ook niet vast.
2.12.
[eiseres] heeft een bewijsaanbod gedaan. Daarbij heeft zij aangeboden om zichzelf en ook de moeder van [gedaagde] als getuigen te doen horen. De kantonrechter zal [eiseres] , overeenkomstig haar bewijsaanbod, hierna tot bewijslevering toelaten.
Conclusie
2.13.
[eiseres] heeft de bewijslast van haar stelling dat er geen rechtsgrond is voor de betaling aan [gedaagde] , eind 2018, van het contante bedrag van € 20.000,-. [eiseres] krijgt daarom een bewijsopdracht.
2.14.
Direct nadat [eiseres] bewijs heeft geleverd, mag [gedaagde] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
draagt [eiseres] op om te bewijzen dat er geen rechtsgrond is voor de betaling aan [gedaagde] , eind 2018, van het contante bedrag van € 20.000,-;
schriftelijk bewijs
3.2.
bepaalt dat als [eiseres] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van donderdag 2 januari 2025 om 11.30 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.3.
bepaalt dat als [eiseres] getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden april, mei en juni 2025;
3.4.
wijst erop dat [eiseres] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.5.
bepaalt dat als [eiseres] op een andere manier bewijs wil leveren, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
495