Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-30
ECLI:NL:RBROT:2024:12213
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,222 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-188121-24
Datum uitspraak: 30 september 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres],
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in [detentieadres],
raadsvrouw mr. T. Altindag, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 september 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K.P. Mandos heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, woonbegeleiding dan wel maatschappelijke opvang, en dagbesteding.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat het de verdachte was die het slachtoffer heeft geslagen, zijn telefoon, pasjes en sleutels uit zijn broekzak heeft gehaald en hem heeft gedwongen zijn jas af te geven. De verklaringen van de aangever zijn vaag, wisselend en tegenstrijdig, en om die reden onbetrouwbaar. Bovendien is er geen steunbewijs. Ook is er geen sprake van medeplegen. Voor het geval de rechtbank zou overwegen de verdachte te veroordelen, heeft de verdediging verzocht de zaak aan te houden om de overige camerabeelden aan het dossier te laten toevoegen en de overige betrokken mannen te horen.
4.1.2.
Beoordeling
De rechtbank acht zich op basis van het bestaande dossier voldoende voorgelicht om uitspraak te kunnen doen en ziet geen aanleiding om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen.
Op 9 juni 2024 bezocht het slachtoffer, [slachtoffer], [naam club] in [plaatsnaam]. Rond 4:30 uur zagen verbalisanten [slachtoffer] op de Lijnbaanhof aan zijn T-shirt aan een haak van een vuilcontainer hangen. Er stonden drie mannen bij hem, waaronder de verdachte. Volgens de verbalisanten was [slachtoffer] half bij bewustzijn en had hij bloed bij zijn mond. Nadat hij was bijgekomen, verklaarde hij dat de drie mannen hem beroofd hadden en dat hij meerdere keren was geslagen. Hij verklaarde ook dat een van de mannen zijn jas droeg en wees daarbij naar de verdachte. De verdachte werd aangehouden, de twee andere mannen renden weg. Eén van hen werd later ook aangehouden.
Diefstal met geweld in vereniging
Tijdens zijn aangifte op 9 juni 2024 verklaarde [slachtoffer] dat de verdachte in zijn broekzakken had gevoeld en daar [slachtoffer] telefoon, pasjes en sleutels uit had gehaald. Enkele dagen later heeft [slachtoffer] echter opnieuw met de politie gesproken en heeft hij verklaard dat hij niet meer wist wie van de mannen zijn telefoon uit zijn broekzak had gehaald. De verbalisanten hebben de telefoon, pasjes en sleutels van [slachtoffer] niet aangetroffen bij de verdachte na diens aanhouding. Bovendien gaf [slachtoffer] in zijn schriftelijke slachtofferverklaring te kennen dat hij zijn spullen een week na zijn aangifte heeft teruggekregen, terwijl de verdachte op dat moment in voorlopige hechtenis verbleef. Hoewel het dossier significante aanknopingspunten bevat, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het al dan niet met geweld en in vereniging wegnemen van de telefoon, pasjes en sleutels van [slachtoffer] met het oogmerk zich deze goederen wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Wat de jas van [slachtoffer] betreft, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van diefstal, maar van afpersing. Dit wordt hierna nader toegelicht.
Afpersing in vereniging
[slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte zijn arm om hem heen hield terwijl hij met de mannen meeliep richting de Lijnbaanhof. De verdachte zei toen: “Hier zijn geen camera’s”, waarna hij [slachtoffer] losliet. Een van de mannen gaf het slachtoffer met kracht een vuistslag op zijn linkerkaak. Daarna gaf de verdachte hem met kracht een vuistslag op zijn linkerjukbeen. Tot slot gaf de andere man [slachtoffer] met kracht nog twee vuistslagen achter elkaar tegen de rechterkant van zijn hoofd. De verdachte zei toen tegen [slachtoffer]: “Doe je jas uit”. [slachtoffer] deed zijn jas uit en gaf die aan de verdachte. De verdachte trok de jas van [slachtoffer] aan.
De rechtbank acht deze verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. [slachtoffer] verklaart concreet en zijn verklaringen worden gesteund door de aan het dossier toegevoegde foto’s van het letsel in zijn gezicht en het feit dat de verdachte tijdens zijn aanhouding een zwarte jas van Prada droeg.
Over deze jas heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd. Bij zijn aanhouding verklaarde hij desgevraagd dat de jas die hij droeg, van hem is. Tijdens zijn verhoor bij de politie echter gaf hij aan niet te weten van wie de jas is. In datzelfde verhoor verklaarde hij even later dat als hij de jas aanhad, deze van hem is. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de jas die hij ten tijde van zijn aanhouding aan had niet van hem was en dat hij niet weet van wie de jas wel is.
Toen de verbalisanten [slachtoffer] aan de haak van de vuilcontainer zagen hangen, stonden de verdachte en twee andere mannen bij hem. Samen hadden zij [slachtoffer] gedwongen mee te lopen tot buiten het zicht van de camera’s. De verdachte en een van de andere mannen sloegen [slachtoffer] beurtelings. De rechtbank stelt vast dat bij die gang van zaken sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders.
4.1.3.
Conclusie
Op grond van de aangifte van [slachtoffer], de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse, het letsel in het gezicht van [slachtoffer], het feit dat de verdachte de jas van [slachtoffer] droeg tijdens zijn aanhouding en de wisselende verklaringen van de verdachte omtrent de vraag van wie de jas is, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing in vereniging.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 9 juni 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, met het oogmerk om zich
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld
[slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van
een jas van het merk Prada die aan die [slachtoffer] toebehoorde door
een arm om die [slachtoffer] heen te slaan en
met kracht meermalen op het gezicht te stompen en
de woorden “Doe je jas uit” toe te voegen
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing in vereniging. De verdachte en zijn mededaders hebben [slachtoffer] meerdere malen met een vuist in het gezicht geslagen, waarna de verdachte hem opdracht gaf zijn jas uit te doen. Die jas trok de verdachte vervolgens zelf aan. De verbalisanten die ter plaatse kwamen, zagen dat het slachtoffer aan zijn T-shirt aan de haak van een vuilcontainer hing terwijl hij omringd werd door drie mannen. Deze hele gang van zaken moet op [slachtoffer] een niet te onderschatten impact hebben gehad.
Met zijn gedragingen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Daarnaast heeft de verdachte aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft twee rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 17 juni 2024 en 1 juli 2024. Deze rapporten houden het volgende in.
De verdachte heeft problemen op alle leefgebieden (huisvesting, dagbesteding, inkomen, familie, vrienden, middelengebruik, functioneren en houding). De verdachte wil zijn problemen zelf oplossen en wil geen verplichtingen in de vorm van toezicht of woonbegeleiding. Hij kan bij vrienden of familie verblijven en kan via een vriend werken als schilder. De verdachte vindt niet dat hij problematisch omgaat met middelen, ervaart geen vaardigheidstekorten en vindt niet dat hij problemen heeft op het gebied van agressieregulatie.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen.
7.4.
Conclusie
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Ter terechtzitting heeft de verdachte de rechtbank laten weten dat hij, anders dan de rapporten van de reclassering doen vermoeden, wel bereid is zijn medewerking te verlenen aan bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, omdat niet is gebleken dat de verdachte een hulpvraag heeft.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vordering gevangenneming
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de gevangenneming van de verdachte gevorderd voor de ten laste gelegde afpersing in vereniging. De rechtbank wijst deze vordering toe en zal voor dit feit de gevangenneming van de verdachte gelasten, nu daarvoor ernstige bezwaren en gronden bestaan.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beveelt de gevangenneming van de verdachte voor de ten laste gelegde afpersing in vereniging.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N.S.S. Obispo, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een jas van het merk Prada en/of
een telefoon en/of
een of meer pasje(s) en/of
sleutels
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan
een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]
door middel van een arm om hem heen te slaan heeft tegengehouden en/of
met kracht op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt;
de woorden “doe je jas uit” toe te voegen, althans woorden van gelijke aard
en/of strekking
en/of
hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of
meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van
een jas van het merk Prada en/of
een telefoon en/of
een of meer pasje(s) en/of
sleutels
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door
een arm om die [slachtoffer] heen te slaan en/of
die [slachtoffer] (met die arm) tegen te houden en/of
met kracht meermalen op/tegen het gezicht te slaan/stompen en/of
de woorden “Doe je jas uit” toe te voegen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking