Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-15
ECLI:NL:RBROT:2024:1219
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,665 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1188
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2024 op het verzet van
[naam opposante], uit [plaatsnaam], opposante
(gemachtigde: mr. mr. [naam]).
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 november 2022 in het geding tussen
opposante
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam
Procesverloop
Opposante heeft tegen uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam van 17 februari 2022 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 11 november 2022 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 26 september 2023 op zitting behandeld. Opposante is verschenen bij gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) opposante in verzuim is geweest het verschuldigde griffierecht van€ 365,- binnen de gestelde termijn te voldoen.
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 11 november 2022 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3. Opposante voert aan dat de griffierechtnota een onjuiste tenaamstelling heeft. Volgens de gemachtigde van opposante, zijn de griffierechtnota en de betalingsherinnering ten onrechte gericht aan [naam] en niet aan [naam bedrijf]
De tenaamstelling is echter niet doorslaggevend voor de vraag of opposante in verzuim is geweest met de (volledige) betaling van het griffierecht. Waar het om gaat is dat deze brieven de gemachtigde hebben bereikt en gelet op de betaling van € 50,- aan griffierecht, is dat het geval. De gemachtigde treedt in zoverre alleen op als correspondentieadres en de adressering heeft geen verdere juridische gevolgen, nog daargelaten dat het door de rechtbank gebruikte postbusadres (ook) dat van [naam bedrijf] is.
4. Verder wijst de gemachtigde van opposante er op dat hij de betaling van € 50,- aan griffierecht niet heeft terug gekregen. Voor zover dit bedrag niet zou zijn teruggestort, zal de rechtbank het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak de opdracht geven om dit bedrag terug te storten. Dit doet echter niet af aan het feit dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien opposante niet het volledige griffierecht heeft betaald.
5. De gemachtigde van opposante heeft verder verzocht om immateriële schadevergoeding omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
6. In verzetzaken hoeft de rechtbank alleen op een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te beslissen als op het moment van de uitspraak op het verzet anderhalf jaar is verstreken sinds de indiening van het beroep. Dat is in deze zaak het geval. De rechtbank dient daarom te beslissen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
7. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn met ruim vijf maanden is overschreden, zodat opposante in beginsel recht heeft op schadevergoeding. Spanning en frustratie vanwege de lange duur van de procedure worden bij opposante verondersteld.
8. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door opposante afgegeven volmacht blijkt dat toekenning van het door de gemachtigde van opposante ingediende verzoek tot schadevergoeding er niet toe leidt dat opposante wordt gecompenseerd voor de door haar geleden immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie, maar wat als compensatie van spanning en frustratie van opposante is bedoeld, zou in werkelijkheid winst voor (de BV van) de gemachtigde vormen. Het door de gemachtigde ingediende verzoek om schadevergoeding dient dus niet het belang van opposante. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 februari 2024.
griffier rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Zie hof Den Haag, 24 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2421
Zie Hoge Raad, 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712