Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-14
ECLI:NL:RBROT:2024:11755
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,331 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/095951-23
Datum uitspraak: 14 november 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsvrouw mr. D.J. Troost, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 31 oktober 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:
vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;
bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan de begeleiding door Reclassering Nederland, afdeling JOVO, naar school gaat en meewerkt met behandeling of andere hulpverlening indien de reclassering dit noodzakelijk acht;
met opdracht aan Reclassering Nederland, afdeling JOVO, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1. subsidiairhij op 19 februari 2023 te Dordrechttezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomenmisdrijf omaan [slachtoffer]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen,- meermalen op en tegen het hoofd en het gezicht en het lichaam van die[slachtoffer] heeft geschopt en getrapt en geslagen en gestompt, (deels)terwijl hij op de grond lag en zat, en- die [slachtoffer] bij de nek heeft (vast)gepakt en vastgehouden envastgeklemd en (aldus) die [slachtoffer] in een wurggreep heeft genomen en(vervolgens) meermalen een knietje tegen zijn hoofd en zijngezicht heeft gegeven,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 19 februari 2023 te Dordrechtopenlijk, te weten op de Tweelingenstraat, ,in vereniginggeweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] door- meermalen op en tegen het hoofd en het gezicht en het lichaam van die[slachtoffer] te schoppen en te trappen en te slaan en te stompen, (deels)terwijl hij op de grond lag en zat, en- die [slachtoffer] bij de nek (vast) te pakken en (vast) te houden en (vast)klemmen en (aldus) die [slachtoffer] in een wurggreep te nemen en(vervolgens) hem meermalen een knietje tegen het hoofd en hetgezicht te geven, en- een intimiderende houding aan te nemen tegenover die [slachtoffer] en die[slachtoffer] dreigend en intimiderend toe te spreken en uit te schelden,en- die [slachtoffer] meermalen, te duwen, en- voornoemd geweld te filmen,terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weteneen snijwond / doorklieving op / van de tong, een botbreuk van de linker oogkas,een (open) wond op het voorhoofd, een of meerdere bloeduitstortingen op hethoofd en de hals en een of meerdere kneuzingen, huidbeschadigingen enzwellingen over het gehele lichaam voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
de eendaadse samenloop van
1subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling
en
2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
In de nacht van 18 op 19 februari 2023 heeft de verdachte samen met anderen op de openbare weg geprobeerd om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het slachtoffer is naar de broer van de verdachte toegekomen met de intentie om te praten. Ter plekke is er geen gesprek tot stand gekomen en is het slachtoffer vrijwel direct in elkaar geslagen, geschopt en in een wurggreep gehouden. De verdachte is hierin meegesleept door zijn oudere broer en een vriend. Hij stond niet vooraan, maar hij is uiteindelijk wel losgegaan op het slachtoffer door hem onder meer trappen tegen het hoofd en lichaam te geven. De verdachte en de medeverdachten hebben het slachtoffer zwaar toegetakeld. Later is in het ziekenhuis gebleken dat het slachtoffer een gebroken oogkas, een doorklieving van de tong en een fors aantal kneuzingen en bloeduitstortingen heeft opgelopen.
De verdachte en zijn medeverdachten hebben met dit forse geweld op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer. Voor het slachtoffer is deze situatie zeer dreigend en beangstigend geweest. Ook veroorzaakt dergelijk geweld op straat gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 oktober 2024, waaruit blijkt dat de verdachte voordien niet is veroordeeld voor strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) schrijft in het rapport over de verdachte van 21 oktober 2024 dat het Algemeen Recidive Risico uitkomt op midden. Er worden risicofactoren gezien binnen de domeinen school en agressie. Hij heeft een hoog schoolverzuim en is voor de tweede keer verdachte van een geweldsdelict. Er zijn ook veel beschermende factoren. De verdachte heeft een bijbaan naast zijn studie en is gefocust op werk in de toekomst. De Raad vindt een werkstraf pedagogisch het meest passend. Hiermee leert de verdachte dat er consequenties zijn voor zijn strafbare gedrag. Daarnaast is reclasseringstoezicht passend. De Raad adviseert de aanpak gericht op jongvolwassenen (JOVO) voor een half jaar ter ondersteuning van de voortgang van zijn schoolgang. Ook is het belangrijk dat er goed wordt stilgestaan bij een delictanalyse, omdat hij voor de tweede keer in aanraking is gekomen met politie.
De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, op te leggen met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:• onderwijs volgt;• meewerkt aan behandeling en/of hulpverlening die door de reclassering als passend wordt gezien;waarbij aan Reclassering Nederland, afdeling JOVO, te Den Haag opdracht wordt gegeven tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4.
Conclusie
Gelet op wat hierboven is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten heeft de rechtbank overwogen om aan de verdachte een jeugddetentie op te leggen. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, het feit dat hij is meegesleept door zijn vijf jaar oudere broer en een eveneens meerderjarige vriend en hij voordien niet met justitie in aanraking was gekomen, zal de rechtbank volstaan met een werkstraf van na te noemen duur. Dit is ook de eis van de officier van justitie. De rechtbank ziet onder verwijzing naar het advies van de Raad aanleiding om de werkstraf deels voorwaardelijk op te leggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. De rechtbank beperkt daarom de proeftijd tot één jaar.
Anders dan door de Raad is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte te verplichten om mee te werken aan behandeling of hulpverlening die door de reclassering als passend wordt gezien, nu een dergelijke voorwaarde onvoldoende concreet is.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 8.681,- aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de reiskosten en het eigen risico kan worden toegewezen. Deze schadeposten zijn niet onderbouwd, maar gelet op de medische toestand van de benadeelde partij kan ervan worden uitgegaan dat hij die kosten heeft gemaakt. De schadepost inkomensschade is onvoldoende onderbouwd en moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast dient de immateriële schade te worden gematigd tot € 2.500,-. De officier van justitie verzoekt de verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen en het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De materiële schade is niet onderbouwd. De immateriële schade moet worden gematigd. Er kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, maar hij heeft de immateriële schade niet onderbouwd. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om de verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk te stellen, maar om de schadevergoeding voor een derde van het totaal toe te wijzen, omdat de verdachte als enige minderjarig is en de strafzaken tegen de medeverdachten nog niet zijn afgedaan.
8.3.
Beoordeling
De benadeelde partij zal ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering op dat punt onvoldoende is onderbouwd en is betwist door de verdachte.
Ten aanzien van de immateriële schade is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de inbreuk die daarmee is gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de benadeelde partij, zal die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.500,--. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 19 februari 2023.
Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;
bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf groot 40 (veertig) uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 32 (tweeëndertig) uren te verrichten werkstraf resteren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 16 (zestien) dagen;
bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, aangezien de veroordeelde bij aanvang van een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 1 (een) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door Reclassering Nederland, afdeling JOVO, te Den Haag, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- naar school gaat volgens het rooster;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland, afdeling JOVO, te Den Haag, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 2.500,-- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.500,-- (hoofdsom, zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 februari 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.P. van der Stroom, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. A.L. Pöll en A.T.M.A. Verhagen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.M.