Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-13
ECLI:NL:RBROT:2024:11711
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,585 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/179551-24
Uitspraakdatum: 13 november 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres], bijgestaan door mr. H. Raza, waarnemend voor mr. Ö. Saki, beiden advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:
vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;
bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak feit 1 primair
De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2
De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdediging geen (bewijs)verweren heeft gevoerd, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.3.
Bewezenverklaring
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hijin de periode van 22 mei 2024 tot en met 26 mei 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen,
waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,
- het opzettelijk vervoeren
van 60 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn , en- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en- voorwerpen en vervoermiddelen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te
maken met (deels onbekend gebleven) medeverdachten over het vervoeren en/of
afleveren en/of uithalen van cocaïne in de haven van Rotterdam en- een of meerdere medeverdachten aan te sturen teneinde de container met
nummer [containernummer] te lokaliseren en daarvan een foto te maken
en
- het organiseren van vervoer naar en van het containerterrein van Containerplein
BV en- een medeverdachte te voorzien van telefoon, waarmee hij, verdachte,
contact kon onderhouden met deze medeverdachte en daarmee hem via
een GPS-signaal kon volgen en- een medeverdachte te voorzien van een rugzak met daarin sporttassen en schroevendraaiers en beitels en kniptangen en
werklampen en
- zich, nadat de medeverdachtenwaren aangehouden, te begeven nabij het
hek van een terrein van Hapag Lloyd in de Waalhaven.
2.
hij, op 3 juni 2024 te Rotterdam,
aanwezig heeft gehad
ongeveer 3 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1. subsidiair:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of om daarbij behulpzaam te zijn, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
In het bijzonder heeft de rechtbank de door de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken in aanmerking genomen.
Totstandkoming van de procesafspraken
De officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte, mr. Saki, hebben op 13 september 2024 de mogelijkheid besproken van het maken van procesafspraken met betrekking tot de afdoening van de strafzaak. Naar aanleiding van dit gesprek is met instemming van beide partijen een overeenkomst opgemaakt en ondertekend, gedateerd 15 oktober 2024.
Inhoud van de procesafspraken
Op de zitting van 30 oktober 2024 zijn de procesafspraken door de procespartijen formeel aan de rechtbank kenbaar gemaakt en uitvoerig met de procespartijen besproken. De door de procespartijen getekende overeenkomst, is aan de rechtbank overgelegd.
Beoordeling
De rechtbank heeft jegens partijen tijdens de zitting benadrukt dat de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank de procesafspraken kan afwijzen indien er op basis van het dossier onvoldoende grond bestaat voor een vaststelling van schuld, de kwalificatie van de feiten niet aansluit bij de inhoud van het dossier, dan wel wanneer zij de te eisen straf niet passend acht.
De rechtbank heeft op de zitting van 30 oktober 2024 de procesafspraken die de verdachte en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt met de verdachte besproken.
De rechtbank is mede op grond van de bespreking ter zitting van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). Ook overigens is sprake van een eerlijk proces en voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist voor de duur van 34 maanden met
aftrek van voorarrest, met daarbij verbeurdverklaring van het in beslag genomen
geldbedrag van € 4.630,00 en teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen
telefoon.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de gemaakte procesafspraken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer van 60 kilogram cocaïne in Nederland. De verdachte heeft een ander aangestuurd die zich met sporttassen illegaal op het Rotterdamse haventerrein heeft begeven om een container met daarin cocaïne te lokaliseren l om de cocaïne uit de container te halen. In dit geval had de politie de partij cocaïne echter al ontdekt. Met zijn handelen heeft de verdachte niettemin een bijdrage geleverd aan de grootscheepse internationale drugshandel. Niet alleen zijn harddrugs schadelijk voor de volksgezondheid maar de handel erin gaat gepaard met – niet zelden ernstige – geweldscriminaliteit. Daarnaast gaan er enorme hoeveelheden crimineel geld in om met ontwrichtende gevolgen voor de samenleving zoals corruptie en besmetting van het legale financiële verkeer. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte fors aan. Daarnaast heeft de verdachte een hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 oktober 2024 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Conclusie
De rechtbank heeft zich bij het bepalen van de hoogte van de straf georiënteerd op straffen die in andere zaken van dit type worden opgelegd. Kijkend naar de ernst van de feiten is een forse gevangenisstraf op haar plaats.
De rechtbank heeft oog voor de omstandigheid dat de officier van justitie en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt die hebben geleid tot de eis van de officier van justitie.
Daarbij overweegt de rechtbank dat het voorstel vastgelegd in de procesafspraken een efficiënte en voortvarende behandeling en een effectieve afdoening van de zaak dient. De voorgestelde strafmaat, zoals door de officier van justitie ter zitting gevorderd in lijn met de gemaakte procesafspraken, staat in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak. Tegen deze achtergrond en gezien het voorgaande acht de rechtbank, alle belangen afwegend, een gevangenisstraf van 34 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
8Beslag
De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 4.630,00 verbeurd dient te worden verklaard. Ten aanzien van de in beslag genomen privételefoon van de verdachte, te weten een Apple iPhone 14, geldt dat deze in lijn met de procesafspraken zal worden teruggegeven aan de verdachte.
9Toepasselijke wettelijke voorschriftenGelet is op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
10Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Dictum
55 EUR IBG 03-06-2024-2024(Omschrijving:_818030)
4000 EUR IBG 03-06-2024(Omschrijving:_818031)
220 EUR IBG 03-06-2024
(Omschrijving:_818032)
355 EUR IBG 03-06-2024
(Omschrijving:_818033)
- gelast de teruggave aan verdachte van:
1. STK Telefoontoestel
(Omschrijving: RTZA024074_818020)
Grijze mobiele telefoon, iPhone, met lebara simkaart [nummer], goudkleurig hoesje, Grijs, merk: Apple).
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Boer, voorzitter,
mr. J.L. Luiten en mr. D. van Putten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 13 november 2024.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij, in of omstreeks de periode van 22 mei 2024 tot en met 26 mei 2024, te
Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in
artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,
ongeveer 60 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne,
zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, in of omstreeks de periode van 22 mei 2024 tot en met 26 mei 2024, te
Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van 60 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid
van de Opiumwet,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit,
door
- contacten te onderhouden en/of informatie uit te wisselen en/of afspraken te
maken met (deels onbekend gebleven) medeverdachten over het vervoeren en/of
afleveren en/of uithalen van cocaïne in de haven van Rotterdam en/of
- een of meerdere medeverdachten aan te sturen teneinde de container met
nummer [containernummer] te lokaliseren en/of daarvan een foto te (laten) maken
en/of
- het organiseren van vervoer naar en van het containerterrein van Containerplein
BV en/of
- ( een) medeverdachte(n) te voorzien van telefoon(s), waarmee hij, verdachte,
contact kon onderhouden met deze medeverdachte(n) en/of daarmee hem/hen via
een GPS-signaal kon volgen en/of
- ( een) medeverdachte(n) te voorzien van een rugzak met daarin een of meerdere
(zwarte) sporttassen en/of schroevendraaiers en/of beitels en/of kniptangen en/of
werklampen en/of
- zich, nadat de medeverdachte(n) was/waren aangehouden, te begeven nabij het
hek van een terrein van Hapag Lloyd in de Waalhaven.
2.
hij, op of omstreeks 3 juni 2024, te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.