Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-20
ECLI:NL:RBROT:2024:1149
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,593 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/671535 / JE RK 23-3010
Datum uitspraak: 13 februari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[kind01]
, geboren op [geboortedatum01] 2007 in [plaats01] ,
hierna te noemen [kind01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam01]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats01] ,
[naam02]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats02] .
1
Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 16 november 2023;
bericht van de GI van 23 januari 2023 met een verzoek tot digitale deelneming.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, [naam03] en [naam04] .
De ouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de ouders wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [kind01] naar zijn mening gevraagd. [kind01] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [kind01] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind01] .
2.2.
[kind01] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 28 februari 2023 is [kind01] onder toezicht gesteld tot 28 februari 2024.
2.4.
Bij beschikking van 5 juni 2023 en gerectificeerd bij beschikking van 10 oktober 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een voorziening van pleegzorg verleend met ingang van 5 juni 2023 tot 28 februari 2024.
3
Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [kind01] te verlengen voor de duur van één jaar. Tevens verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4
De standpunten
4.1.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [kind01] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ernstige bedreiging in de ontwikkeling is gelegen het feit dat de ouders niet kunnen aansluiten bij de belevingswereld van [kind01] . [kind01] is na een ruzie met de vader door de vader uit huis gezet. Hierdoor is [kind01] geplaatst in een pleeggezin. De ouders zijn nog niet zelfstandig in staat om de bedreigde ontwikkeling van [kind01] af te wenden. Daarom blijft ook de komende periode de betrokkenheid van de jeugdbeschermer noodzakelijk om de benodigde hulpverlening voor zowel de ouders als [kind01] in te zetten en de ontwikkeling van [kind01] te volgen. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [kind01] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.2.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
Het verblijf in het pleeggezin verloopt goed. Het pleeggezin kan [kind01] de rust en structuur bieden die hij nodig heeft om zich positief te kunnen ontwikkelen. De kinderrechter acht een voortzetting van de plaatsing van [kind01] in het pleeggezin daarom in het belang van [kind01] en zal de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter acht het de komende periode van belang dat wordt bekeken hoe het contact tussen [kind01] en de ouders weer tot stand gebracht kan worden. Dit contact is voor [kind01] belangrijk. Daarbij dient te worden geïnvesteerd in een verbetering van de onderlinge contacten.
5.3.
Overigens heeft de kinderrechter ter zitting de nodige zorgen geuit over de invulling van de ondertoezichtstelling door de GI. Naar blijkt is geen vaste jeugdbeschermer betrokken, maar wordt gewerkt met een landelijk doorstroomteam. Van dit team, zonder naam van een betrokken medewerker, ontving de rechtbank het verzoek de zitting digitaal te kunnen bijwonen. Gelet op het feit dat een ondertoezichtstelling een kinderbeschermingsmaatregel betreft en temeer hier, gezien de verzochte verlenging, de GI de verzoekende partij is, heeft de kinderrechter dit afgewezen en aangegeven dat aanwezigheid ter zitting noodzakelijk is. De kinderrechter is uiteraard op de hoogte van de druk en drukte in het jeugdveld, maar het kan niet zo zijn dat men daardoor niet op de zitting verschijnt.
Het mag duidelijk zijn dat de kinderrechter er vanuit gaat dat hetgeen ter zitting is gemeld door betrokken medewerkers, namelijk dat nieuwe medewerkers zijn aangetrokken, ook voor [kind01] en de mensen om hem heen betekent dat er binnen korte tijd weer een vaste jeugdbeschermer met hem aan de slag gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [kind01] tot 28 februari 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind01] in een pleeggezin tot 28 februari 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2024 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.