Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-04
ECLI:NL:RBROT:2024:11345
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,090 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11003800 CV EXPL 24-7915
datum uitspraak: 4 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: Hoogvliet,
eiser,
gemachtigde: mr. D.R. Jadoenath,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Roos.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 maart 2024, met bijlagen 1 tot en met 6;
het antwoord, met bijlagen 1 en 2;
de akte van [eiser] , met bijlagen 7 tot en met 10.
1.2.
Op 6 september 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] , bijgestaan door de tolk Duits R.B. Schmitt, en mr. Jadoenath en met [gedaagde] en mr. Roos.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] voor [eiser] een website maakt voor
€ 400,-. Er is € 300,- aanbetaald. [eiser] vindt dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd en dat de overeenkomst om die reden ontbonden moet worden. Ook eist [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van de wanprestatie. Tevens eist [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de overeengekomen prijs en uitgaven die hij heeft gedaan te vergoeden en de inlogcodes van de website aan hem te verstrekken, met rente en kosten. De eis wordt grotendeels toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Ontbinding overeenkomst
2.2.
De eis tot ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst wordt toegewezen, want vastgesteld wordt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de verbintenis om een website te bouwen en dat hij wat dit betreft in verzuim is.
2.3.
Niet is in geschil dat [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht om de website te bouwen. Aan de hand van stukken (bijlage 7), maar ook ter zitting is getoond dat de gecreëerde webpagina [naam webpagina] is voorzien van diverse tabbladen, maar dat diverse onderliggende webpagina’s blanco zijn en dat linkjes naar foto’s niet werken. Het werk is niet klaar en vastgesteld wordt dat [gedaagde] in verzuim is omdat hij het werk niet wil afronden. Dit vindt steun in de twee op schrift gestelde verklaringen die [eiser] heeft overgelegd, waarin door getuigen is meegedeeld dat zij van [gedaagde] gehoord hebben dat hij van zijn moeder niet meer mag werken voor [eiser] en hem niet mag spreken, omdat hij een jood is. Dat het werk niet is afgerond vindt verder steun in het feit dat nergens uit blijkt dat het is opgeleverd en dat [gedaagde] geen aanspraak heeft gemaakt op het restbedrag van € 100,- aan loon. Overeengekomen is dat [gedaagde] € 400,- zou krijgen voor de opdracht en er is een voorschot van € 300,- betaald, zodat het voor de hand zou hebben gelegen dat [gedaagde] nog
€ 100,- van [eiser] had willen ontvangen als het werk was afgerond. Ter zitting is betoogd dat het werk klaar was omdat alle aangeleverde foto’s geplaatst waren en dat niet om betaling van het restbedrag gevraagd is omdat slechts voor € 300,- aan werk geleverd is, maar dat is niet onderbouwd en weinig geloofwaardig, zodat het geen reden geeft om te twijfelen aan wat [eiser] gemotiveerd gesteld heeft.
Veroordeling tot betaling, met rente
2.4.
De eis om [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling aan [eiser] van de aanbetaling wordt toegewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat het gaat om € 300,- en niet om € 400,- zoals geëist. De eisen om [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling aan [eiser] van € 42,- en
€ 30,-, welke bedragen door [eiser] betaald zijn voor de domeinnaam en het instructieboek dat [gedaagde] nodig had, worden ook toegewezen. Deze eisen worden toegewezen, omdat de al ontvangen prestaties ongedaan gemaakt moeten worden als dat kan. Dit is het gevolg van de ontbinding van de overeenkomst, waardoor ook niet langer uitvoering hoeft te worden gegeven aan wat partijen met elkaar hebben afgesproken (artikelen 6:271 en 6: 272 BW). De tijd die [gedaagde] gestoken heeft in het bouwen van de website kan niet ongedaan gemaakt worden en heeft voor [eiser] geen waarde gehad. Over genoemde bedragen moet [gedaagde] rente betalen vanaf de dag van de dagvaarding.
Verklaring voor recht
2.5.
De geëiste verklaring voor recht wordt gegeven omdat aannemelijk is dat [eiser] schade heeft geleden en zal lijden als gevolg van de wanprestatie door [gedaagde] waarvoor hij aansprakelijk is. Wat dit betreft is van belang dat [eiser] stelt dat hij de website heeft willen gebruiken voor marketing doeleinden ter promotie van een uit te brengen boek over zijn leven. Dat heeft vertraging opgelopen door de handelwijze van [gedaagde] .
Afwijzing eis tot verstrekking inlogcodes
2.6.
De eis om [gedaagde] te veroordelen tot verstrekking aan [eiser] van de inlogcodes van de website wordt afgewezen, omdat de codes al zijn verstrekt.
Afwijzing buitengerechtelijke incassokosten
2.7.
De geëiste vergoeding van € 578,50 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Er ontstaat pas recht op deze vergoeding als een brief is gestuurd waarin de kans wordt gegeven om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). Er kan niet worden vastgesteld dat deze brief is gestuurd, omdat hiervan geen kopie bij de dagvaarding zit.
Subsidiaire eis
2.8.
Omdat de primaire eis grotendeels wordt toegewezen, hoeft de subsidiaire eis niet te worden behandeld.
Proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen vast op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 87,- aan griffierecht, € 164,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 82,-) en € 41,- aan nakosten. Dat is in totaal € 428,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen, zoals hierna vermeld dus niet vanaf 2 februari 2024.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt overeenkomst van opdracht van 23 oktober 2023;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 372,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 13 maart 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van wanprestatie;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden vastgesteld op € 428,72 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
465