Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-01
ECLI:NL:RBROT:2024:11250
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,165 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11150195 CV EXPL 24-14654
datum uitspraak: 1 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [plaatsnaam 1] ,
eiser,
die tot 19 september 2024 is bijgestaan door mr. M. Leung en daarna zelf procedeert,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaatsnaam 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 mei 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de brief van 2 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 2 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad, die inmiddels is beëindigd. Tijdens de relatie heeft [gedaagde] een kapitaalverzekering afgesloten bij Nationaal Spaarfonds, waarbij is overeengekomen dat de waarde van die verzekering per 1 april 2021 zou worden uitgekeerd. De waarde van de kapitaalverzekering bedroeg op 1 april 2021 € 17.720,-. Volgens [eiser] hebben partijen met elkaar afgesproken dat [gedaagde] de helft van dat bedrag, oftewel € 8.860,-, zou betalen aan [eiser] . Omdat [gedaagde] slechts een bedrag van € 5.000,- aan [eiser] heeft betaald eist [eiser] in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld een bedrag van
€ 3.860,-, met rente en buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van [eiser] en betwist dat partijen hebben afgesproken dat [eiser] de helft van de waarde van de kapitaalverzekering zou krijgen. Zij voert aan dat de verzekering op haar naam staat en dat zij deze zelf heeft afgesloten. [gedaagde] stelt dat zij [eiser] ‘uit goedheid’ € 5.000,- heeft gegeven, maar dat hij geen recht heeft op de rest van het bedrag.
2.3.
De kantonrechter kan op dit moment nog geen eindbeslissing nemen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[eiser] mag de afspraak met [gedaagde] bewijzen
2.4.
De kantonrechter moet beoordelen of [eiser] recht heeft op de helft van de uitgekeerde waarde van de kapitaalverzekering. Vast staat dat de verzekering door [gedaagde] is afgesloten en ook alleen op haar naam staat. [eiser] heeft op de zitting weliswaar aangevoerd dat hij tijdens zijn relatie met [gedaagde] vooral in de beginperiode elke maand de premie voor de verzekering heeft betaald, maar dat enkele feit betekent nog niet dat hij recht zou hebben op een deel van het uitgekeerde bedrag.
2.5.
De eis van [eiser] kan alleen worden toegewezen als vast komt te staan dat hij inderdaad met [gedaagde] heeft afgesproken dat zij de helft van het uitgekeerde bedrag, oftewel € 8.860,-, zou betalen aan [eiser] . Om die afspraak te onderbouwen heeft [eiser] aangevoerd dat hij die afspraak mondeling met [gedaagde] heeft gemaakt aan het begin van hun relatie, ongeveer 20 jaar geleden. [eiser] heeft gesteld dat de afspraak veel later schriftelijk is vastgelegd en heeft een kopie van deze overeenkomst, die is gedateerd op 24 juli 2019, in het geding gebracht. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij de gestelde afspraak met [eiser] heeft gemaakt en heeft ook ontkend de overeenkomst te hebben ondertekend.
2.6.
Omdat [gedaagde] de afspraak heeft betwist en [eiser] zich op de rechtsgevolgen van die afspraak beroept, ligt het op de weg van [eiser] om het bestaan ervan te bewijzen (artikel 150 Rv). Dat bewijs is op dit moment nog niet geleverd. De overeenkomst, die [eiser] heeft overgelegd, is daarvoor onvoldoende. Daarop is bij de naam van [gedaagde] met pen haar BSN-nummer bijgeschreven en is een handtekening geplaatst. Nadat de kantonrechter ter zitting deze handtekening heeft vergeleken met de handtekening op het paspoort van [gedaagde] is gebleken dat de handtekening op de overeenkomst op het eerste gezicht slechts gedeeltelijk overeen lijkt te komen met de handtekening van [gedaagde] op haar paspoort; een deel van de handtekening lijkt namelijk te ontbreken. In dat verband heeft [gedaagde] bovendien aangevoerd aangifte te hebben gedaan wegens het vervalsen van haar handtekening. Tot slot legt ook de kennis van het BSN-nummer van [gedaagde] – gelet op de lange periode dat partijen samen zijn geweest – weinig gewicht in de schaal.
2.7.
[eiser] heeft tot op heden ook niet duidelijk gemaakt wanneer de overeenkomst exact door partijen zou zijn opgesteld. Daarover heeft hij tijdens de zitting wisselend verklaard, in die zin dat hij zowel heeft aangegeven dat de overeenkomst is opgesteld vóór het einde van de relatie met [gedaagde] (maar niet goed heeft weten aan te geven of dit ver of vlak voor het uit elkaar gaan zou zijn gedaan), als dat dit ná het einde van de relatie is gedaan. Daarnaast heeft [eiser] gesteld dat zijn nicht [naam] (fonetisch weergegeven) bij het opstellen en laten ondertekenen een rol heeft gespeeld; volgens [eiser] zou deze nicht de overeenkomst hebben opgesteld en zou zij hebben geregeld dat, na [eiser] , ook [gedaagde] de overeenkomst heeft ondertekend. Omdat [gedaagde] ook dat heeft betwist en [eiser] op dit punt geen verklaring van zijn nicht heeft overgelegd, is de door [eiser] geschetste gang van zaken (en de rol van zijn nicht daarin) vooralsnog niet komen vast te staan.
2.8.
Gelet op al het voorgaande staat naar het oordeel van de kantonrechter de afspraak dat [gedaagde] de helft van de uitgekeerde waarde van de kapitaalverzekering aan [eiser] zou betalen vooralsnog niet vast. Omdat de bewijslast bij [eiser] ligt, krijgt hij de gelegenheid het bestaan van de afspraak te bewijzen.
2.9.
Direct nadat [eiser] bewijs heeft geleverd, mag [gedaagde] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is.
Het vervolg van de procedure
2.10.
De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van dinsdag 26 november 2024 om 11:30 uur, zodat [eiser] zich schriftelijk bij akte over de bewijslevering kan uitlaten, zoals hierna vermeld.
2.11.
In afwachting van de bewijslevering houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
laat [eiser] toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken dat [gedaagde] de helft van de uitgekeerde waarde van de kapitaalverzekering aan [eiser] zou betalen;
schriftelijk bewijs
3.2.
bepaalt dat als [eiser] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk de dag voor de rolzitting van dinsdag 26 november 2024 om 11:30 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.3.
bepaalt dat als [eiser] getuigen wil laten horen, hij uiterlijk de dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden december 2024 tot en met februari 2025;
3.4.
wijst erop dat [eiser] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.5.
bepaalt dat als [eiser] op een andere manier bewijs wil leveren, hij uiterlijk de dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe en op welke wijze;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
44487