Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-01
ECLI:NL:RBROT:2024:11243
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,580 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11164447 CV EXPL 24-15315
datum uitspraak: 1 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd te Zoeterwoude,
eiseres,
gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders te Apeldoorn,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door de heer [persoon A] .
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 30 mei 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de brief van 16 juli 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 1 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens [eiseres] mevrouw [persoon B] (financieel directeur) en mevrouw [persoon C] (administratief medewerker) aanwezig. Namens [gedaagde] is, hoewel op deugdelijke wijze opgeroepen, niemand ter zitting verschenen.
1.3.
Van hetgeen ter zitting besproken is heeft de griffier aantekeningen gemaakt en aan het slot van de zitting is de uitspraak van het vonnis is bepaald op vandaag.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[eiseres] heeft steigermateriaal, bestaande uit een rolsteiger en een ladderlift, verhuurd en geleverd ten behoeve van een project op het adres [adres] in Arnhem. [eiseres] heeft in verband daarmee in de periode van 1 maart 2023 tot en met 17 april 2023 diverse facturen van in totaal € 6.100,56 aan [gedaagde] gestuurd. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] deze facturen niet betaald. Daarom vordert [eiseres] in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld het bedrag van € 6.100,56 aan haar te betalen met een bedrag van € 825,63 aan wettelijke handelsrente en € 680,03 aan buitengerechtelijke incassokosten.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] en stelt dat zij het steigermateriaal niet heeft gehuurd. Zij voert aan dat de heer [persoon A] - die zowel bestuurder is van [gedaagde] als van Aannemersbedrijf [bedrijf A] (hierna: ‘ [bedrijf A] ’) - online namens [bedrijf A] het steigermateriaal heeft gehuurd. [gedaagde] stelt voorts dat de werkzaamheden, waarvoor het steigermateriaal nodig was, binnen zestien werkdagen zijn afgerond en dat [eiseres] per e-mail van 3 maart 2023 is verzocht het steigermateriaal weer op te halen. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] het steigermateriaal pas na twee maanden opgehaald, waardoor de kosten zijn opgelopen. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat [eiseres] bij het leveren van het steigermateriaal een stoeprand heeft beschadigd, die [gedaagde] dan wel [bedrijf A] op eigen kosten heeft moeten laten herstellen.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het steigermateriaal is door [gedaagde] gehuurd
2.4.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat zij het steigermateriaal niet heeft gehuurd, maar dat [bedrijf A] dat heeft gedaan. Ter zitting is door [eiseres] nader uiteengezet dat dat de heer [persoon A] online een aanvraag voor de huur van het betreffende steigermateriaal heeft gedaan en dat door [eiseres] , zoals te doen gebruikelijk, vervolgens is verzocht om een kopie van een bankpas te verstekken ter verificatie van identiteit van de rechtspersoon, waarmee [eiseres] contracteert. [eiseres] heeft in dat kader toegelicht dat de heer [persoon A] daarna een kopie van de bankpas van [gedaagde] aan [eiseres] heeft doorgestuurd en dat hij - ondanks dat hij bij de aanvraag aanvankelijk gebruik heeft gemaakt van het e-mailadres van [bedrijf A] , namelijk [e-mailadres 1] - heeft aangegeven dat hij de overeenkomst op naam van [gedaagde] wilde zetten. Deze toelichting van [eiseres] sluit ook aan bij de door haar overgelegde e-mail van de heer [persoon A] van 21 februari 2023 om 13:53 uur, waarin de heer [persoon A] de gegevens van [gedaagde] aan [eiseres] doorgeeft en een foto van de bankpas van [gedaagde] doorstuurt. In dat verband heeft [eiseres] bovendien betwist dat de heer [persoon A] (ook) een bankpas van [bedrijf A] aan haar zou hebben toegezonden, zoals door [gedaagde] - overigens zonder enige onderbouwing - is gesteld.
2.5.
[gedaagde] is niet ter zitting verschenen en heeft daardoor de nadere stellingen van [eiseres] onweersproken gelaten, zodat de kantonrechter van de juistheid daarvan zal uitgaan. Dat betekent dat voldoende is komen vast te staan dat het [gedaagde] is geweest, die het steigermateriaal heeft gehuurd.
[gedaagde] moet de facturen van in totaal € 6.100,56 aan [eiseres] betalen
2.6.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat al op 3 maart 2023 aan [eiseres] is verzocht het materiaal op te halen, maar dat [eiseres] daar pas na twee maanden gehoor aan heeft gegeven. Ter onderbouwing van die stelling heeft [gedaagde] een e-mail van
3 maart 2023 overgelegd - gericht aan de e-mailadressen [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] - waarin dringend wordt verzocht de steiger op te halen. [eiseres] heeft echter betwist deze e-mail op het e-mailadres [e-mailadres 2] ontvangen te hebben. Daarnaast is gebleken dat de e-mail aan een foutief e-mailadres is gericht, namelijk aan ‘ [e-mailadres 4] ’ in plaats van aan ‘ [e-mailadres 3] ’. Bovendien heeft [eiseres] ter zitting gesteld dat het laatstgenoemde e-mailadres al twee jaar niet meer in gebruik is. Door niet ter zitting te verschijnen heeft [gedaagde] ook deze stellingen van [eiseres] niet meer betwist. Dat betekent dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de overeenkomst op 3 maart 2023 is opgezegd, althans dat op die datum aan [eiseres] is verzocht het steigermateriaal weer op te halen.
2.7.
[eiseres] heeft daarnaast e-mails aan [gedaagde] van respectievelijk 8, 9 en 23 maart 2023 overgelegd, waarin zij aan [gedaagde] mededeelt dat het huurcontract wordt verlengd. Indien [gedaagde] van mening was dat de overeenkomst al op 3 maart 2023 was opgezegd had het op de weg van [gedaagde] gelegen bezwaar te maken tegen de hiervoor genoemde e-mails omtrent de verlenging van het huurcontract. [eiseres] heeft onweersproken echter onweersproken gesteld dat [gedaagde] niet op die e-mails heeft gereageerd.
2.8.
Omdat niet gebleken is dat de overeenkomst is opgezegd, is deze ook na 3 maart 2023 blijven doorlopen. Ter zitting heeft [eiseres] nader uiteengezet dat zij het aan [gedaagde] verhuurde steigermateriaal zelf heeft gehuurd van Dolco Verhuur B.V. en dat zij op 14 maart 2023 per e-mail aan Dolco heeft gemeld dat [gedaagde] heeft doorgegeven dat de ladderlift weer kon worden opgehaald. Hoogwerk heeft de betreffende e-mail ook in het geding gebracht. Deze gang van zaken sluit aan op de inhoud van de facturen, waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd. Daaruit blijkt immers dat in de periode tot 14 maart 2023 de kosten van zowel de ladderlift als de rolsteiger in rekening worden gebracht en in de periode ná 14 maart 2023 slechts de kosten voor de rolsteiger. Ook deze nadere stellingen van [eiseres] heeft [gedaagde] niet meer betwist.
2.9.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de volledige facturen voor de huur van het steigermateriaal aan [eiseres] moet voldoen. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld het bedrag van € 6.100,56 aan [eiseres] te betalen.
2.10.
De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] bij de aflevering van het steigermateriaal een stoeprand zou hebben beschadigd maakt het voorgaande niet anders. Nog afgezien van het feit dat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat zij hiervoor nooit aansprakelijk is gesteld, heeft [gedaagde] op dit punt ook geen tegenvordering ingesteld.
[gedaagde] moet € 680,03 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.11.
De incassokosten van € 680,03 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet € 825,63 aan wettelijke handelsrente betalen
2.12.
De gevorderde wettelijke handelsrente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.13.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 115,22 aan dagvaardingskosten, € 524,- aan griffierecht, € 339,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Voor de zitting van 1 oktober 2024 wordt geen gemachtigdensalaris toegekend, omdat [eiseres] zich op die zitting niet heeft laten bijstaan door haar gemachtigde.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 7.606,22 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 6.100,56 vanaf 30 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € € 1.113,22;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
44487