Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-13
ECLI:NL:RBROT:2024:11182
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,876 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6757
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2024 in de zaak tussen
[naam], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. R.J. Michielsen),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, de minister
(gemachtigde: mr. H. Bouhuys).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om kwijtschelding van haar studieschuld om medische redenen.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 mei 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 september 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft bij brief van 12 april 2024 een bericht van de medisch adviseur van 9 april 2024 ingediend.
1.3.
De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 15 oktober 2024 nog een aanvulling op de beroepsgronden gegeven.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de minister mr. G.J.M. Naber.
Beoordeling
2. De minister heeft aan de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding een medisch advies van een medisch adviseur van 3 mei 2023 ten grondslag gelegd, waarin de medisch adviseur heeft geconcludeerd dat de situatie waarin eiseres zich bevindt niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties. Daarbij is het van belang dat er dossierstudie is verricht en dat er informatie is opgevraagd en verkregen van de huisarts van eiseres. Deze informatie is meegenomen in het medisch advies. De medisch adviseur heeft ook vastgesteld dat de medische situatie van eiseres, gelet op de aard en de gevolgen van die situatie niet op één lijn kan worden gesteld met de in het beleid beschreven gevallen. De medisch adviseur van de minister heeft verder nog bericht dat er geen toestemming van eiseres is verkregen tot het verzenden van de rapportage.
3. Eiseres heeft aangevoerd het niet eens te zijn met het bestreden besluit, omdat de minister uitgaat van medische feiten tot mei 2022. Volgens eiseres is het niet juist dat zij geen toestemming heeft verleend voor het delen van haar medische gegevens. Eiseres stelt dat er daarna in 2022 en 2023 medische problemen zijn bijgekomen. Eiseres stelt brieven met zeer gevoelige medische informatie aan de medisch adviseur te hebben verzonden, waarop geen reactie is ontvangen. Eiseres heeft geopperd om recente aanvullende medische stukken persoonlijk op kantoor te willen overhandigen. Het hebben van een grote schuld bij DUO bezorgt eiseres de nodige stress en spanning. In december 2022 is er bij eiseres hypertensie geconstateerd waarbij er een 24 uursmeting in de thuisomgeving gedragen moet worden inclusief bloeddruk verlagende medicatie.
4. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) is degene die studiefinanciering heeft ontvangen verplicht tot terugbetaling van de lening. De Wsf 2000 voorziet slechts in kwijtschelding bij het einde van de aflosfase en bij overlijden van de debiteur.
5. Op grond van de hardheidsclausule in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan de minister voor bepaalde gevallen de terugbetalingsverplichting buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
6. De minister voert bij de toepassing van de in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 opgenomen hardheidsclausule een beleid dat inhoudt dat op verzoek een resterende studieschuld kan worden kwijtgescholden indien een debiteur in één van de volgende categorieën valt:
1) terminale patiënten, die naar verwachting binnen een jaar zullen overlijden;
2) psychiatrische patiënten op verklaringen van de geneesheer-directeur dat de situatie uitzichtloos is;
3) debiteuren die ernstig geestelijk gehandicapt zijn op verklaring van de inrichting;
4) debiteuren die gedurende langere tijd in coma liggen.
6.1.
De achterliggende gedachte bij dit beleid is dat van debiteuren die in een dergelijke medisch uitzichtloze situatie verkeren op humanitaire gronden niet kan worden verlangd dat zij hun studieschuld nog (verder) terugbetalen. Naast de gevallen omschreven in het beleid bestaat ruimte om in een bijzonder geval eveneens hardheid aan te nemen. In dit verband wordt getoetst of er sprake is van “een vergelijkbare medisch uitzichtloze situatie dat op grond daarvan een uitzondering op dat beleid moet worden gemaakt” (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 20 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:14210).
7. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het door de minister gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet onredelijk is en stringent toegepast mag worden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:546).
8. De rechtbank is gelet op het hiervoor opgenomen toetsingskader van oordeel dat de minister ten aanzien van de datum in geding terecht de conclusie heeft getrokken dat de situatie waarin eiseres zich bevindt niet valt onder één van de in het beleid omschreven situaties. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister van het beleid had moeten afwijken is geen sprake. Voor het oordeel dat de minister de medische situatie van eiseres heeft onderschat, ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanknopingspunten. De minister heeft daarom ook terecht beslist dat de studieschuld niet wordt kwijtgescholden.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de studieschuld van eiseres niet wordt kwijtgescholden. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024.
De rechter is verhinderd
te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.