Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-08
ECLI:NL:RBROT:2024:10965
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/933
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], eiser
(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Nobel).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het werkplan van 25 april 2023.
1.2.
Met het bestreden besluit van 4 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser ontvangt sinds 29 augustus 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Op 25 april 2023 heeft verweerder een werkplan opgesteld. Hieruit vloeit voort dat eiser wordt aangemeld bij re-integratiebureau [naam bureau] voor een traject participatie interventie voor vijf maanden, waarbij er 21 uur te besteden zijn aan begeleiding. Uit het reintegratieplan blijkt dat het traject participatie interventie 18 uur omvat en dat sprake is van drie uur om te rapporteren.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het werkplan, te weten de aanmelding voor het traject participatie interventie waaraan eiser verplicht dient deel te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser heeft mogen aanmelden voor het re-integratietraject. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De beroepsgronden van eiser komen er in de kern op neer dat hij zich, gelet op zijn medische klachten, niet in staat acht om aan het door verweerder voorgestelde traject deel te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapportage van 27 december 2023 rekening gehouden met eisers beperkingen en geconcludeerd dat eiser met die beperkingen in staat is om deel te nemen aan het re-integratietraject. Daarbij heeft zij meegewogen dat uit het werkplan blijkt dat het traject vijf maanden zal duren, waarbij er 21 uur zijn te besteden aan begeleiding, dat het doel is het deelnemen aan sociale activiteiten buitenshuis en waarbij de te ontplooien activiteiten worden omschreven als:
- Meer activiteiten ontplooien;
- Wat meer in beweging komen;
- Weer meer onder de mensen komen;
- Een zinvolle dagbesteding;
- Begeleiding bij de opstarting van de benodigde behandeling; en
- Verkrijgen van een gezond eetpatroon.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat deze activiteiten in 21 uren, verdeeld over vijf maanden, zowel psychisch als lichamelijk niet belastend zijn en geen overschrijding vormen van eisers belastbaarheid. Daarbij heeft zij rekening gehouden met eisers bezwaargronden ten aanzien van zijn belastbaarheid en geconcludeerd dat alle in het bezwaarschrift genoemde aandoeningen door de verzekeringsartsen zijn meegewogen bij de vaststelling van eisers belastbaarheid. De rechtbank ziet in wat eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten aanzien van eisers standpunt dat zijn toegenomen klachten voornamelijk op het psychische vlak liggen en dat hij dit met de onderliggende medische stukken voldoende heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft toegelicht vanaf wanneer zijn psychische klachten zijn toegenomen en waaruit die toename bestaat. De enkele verwijzing naar de onderliggende medische stukken acht de rechtbank onvoldoende onderbouwing. Gelet op het voorgaande heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat van eiser, rekening houdend met zijn medische situatie, verwacht kan worden dat hij actief deelneemt aan het traject participatie interventie. Voor zover eiser van mening is dat zijn belastbaarheid inmiddels dusdanig is gewijzigd dat hij geen benutbare mogelijkheden meer heeft, kan hij een herbeoordeling aanvragen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder in het werkplan terecht aan eiser de verplichting heeft opgelegd tot het volgen van het traject participatie interventie. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2024:10965 text/xml public 2026-03-20T09:08:44 2024-11-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2024-11-08 ROT 24/933 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2026:211, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:10965 text/html public 2024-11-18T13:01:10 2024-11-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2024:10965 Rechtbank Rotterdam , 08-11-2024 / ROT 24/933 Werkplan. Beroep ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/933 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 in de zaak tussen [eiser], uit [plaatsnaam], eiser (gemachtigde: mr. R. Küçükünal), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (gemachtigde: mr. C. Nobel). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het werkplan van 25 april 2023. 1.2. Met het bestreden besluit van 4 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit 2. Eiser ontvangt sinds 29 augustus 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Op 25 april 2023 heeft verweerder een werkplan opgesteld. Hieruit vloeit voort dat eiser wordt aangemeld bij re-integratiebureau [naam bureau] voor een traject participatie interventie voor vijf maanden, waarbij er 21 uur te besteden zijn aan begeleiding. Uit het reintegratieplan blijkt dat het traject participatie interventie 18 uur omvat en dat sprake is van drie uur om te rapporteren. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het werkplan, te weten de aanmelding voor het traject participatie interventie waaraan eiser verplicht dient deel te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser heeft mogen aanmelden voor het re-integratietraject. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. De beroepsgronden van eiser komen er in de kern op neer dat hij zich, gelet op zijn medische klachten, niet in staat acht om aan het door verweerder voorgestelde traject deel te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapportage van 27 december 2023 rekening gehouden met eisers beperkingen en geconcludeerd dat eiser met die beperkingen in staat is om deel te nemen aan het re-integratietraject. Daarbij heeft zij meegewogen dat uit het werkplan blijkt dat het traject vijf maanden zal duren, waarbij er 21 uur zijn te besteden aan begeleiding, dat het doel is het deelnemen aan sociale activiteiten buitenshuis en waarbij de te ontplooien activiteiten worden omschreven als: - Meer activiteiten ontplooien; - Wat meer in beweging komen; - Weer meer onder de mensen komen; - Een zinvolle dagbesteding; - Begeleiding bij de opstarting van de benodigde behandeling; en - Verkrijgen van een gezond eetpatroon. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat deze activiteiten in 21 uren, verdeeld over vijf maanden, zowel psychisch als lichamelijk niet belastend zijn en geen overschrijding vormen van eisers belastbaarheid. Daarbij heeft zij rekening gehouden met eisers bezwaargronden ten aanzien van zijn belastbaarheid en geconcludeerd dat alle in het bezwaarschrift genoemde aandoeningen door de verzekeringsartsen zijn meegewogen bij de vaststelling van eisers belastbaarheid. De rechtbank ziet in wat eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten aanzien van eisers standpunt dat zijn toegenomen klachten voornamelijk op het psychische vlak liggen en dat hij dit met de onderliggende medische stukken voldoende heeft onderbouwd, overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft toegelicht vanaf wanneer zijn psychische klachten zijn toegenomen en waaruit die toename bestaat. De enkele verwijzing naar de onderliggende medische stukken acht de rechtbank onvoldoende onderbouwing. Gelet op het voorgaande heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat van eiser, rekening houdend met zijn medische situatie, verwacht kan worden dat hij actief deelneemt aan het traject participatie interventie. Voor zover eiser van mening is dat zijn belastbaarheid inmiddels dusdanig is gewijzigd dat hij geen benutbare mogelijkheden meer heeft, kan hij een herbeoordeling aanvragen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder in het werkplan terecht aan eiser de verplichting heeft opgelegd tot het volgen van het traject participatie interventie. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2024. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.