Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-10
ECLI:NL:RBROT:2024:10755
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,891 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11112212 CV EXPL 24-2328
datum uitspraak: 10 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [plaatsnaam],
eiser,
gemachtigde: mr. G. Sarier,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaatsnaam],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 1 mei 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van [gedaagde] van 1 augustus 2024.
1.2.
Op 9 september 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[eiser] en [naam 1] (tolk), met mr. G. Sarier;
[gedaagde] en zijn dochter.
Geschil
2.1.
[eiser] eist samengevat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 20.975,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 20.000,-, waarbij het bedrag van € 25.000,- niet overschreden zal worden;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 20.000,- en buitengerechtelijke kosten van € 975,-.
2.2.
[eiser] baseert de eis op het volgende. Partijen hebben volgens [eiser] begin 2020 samen de “[naam horecagelegenheid]” aan de [adres] (hierna: de onderneming) overgenomen van [naam 2] voor een bedrag van € 23.000,-. [eiser] stelt dat hij de volgende investeringen heeft gedaan:
een deel van de overnamesom € 12.000,-
voorschot voor [gedaagde]’ deel van de overnamesom € 1.000,-
borg voor de lopende huurovereenkomst € 2.300,-
huurtermijnen maart en april 2020 € 2.100,-
diversen € 600,-
voorschot om de zaak van [gedaagde] over te nemen € 2.000,- +
€ 20.000,-
Omdat [eiser] een bijstandsuitkering ontving, hebben partijen afgesproken dat de onderneming eerst op naam van [gedaagde] zou worden gezet en [eiser] als oproepkracht bij de onderneming zou komen werken. Partijen hebben afgesproken gezamenlijk de overnamesom van de onderneming te betalen en [eiser] heeft diverse kosten van de onderneming betaald. Na zes maanden zou [eiser] vervolgens de onderneming overnemen van [gedaagde], alleen voortzetten en zouden partijen met elkaar afrekenen. Als voorschot op die afrekening heeft [eiser] € 2.000 aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] heeft zich niet aan de door [eiser] gestelde afspraken gehouden. Hij heeft ruim € 20.000 van [eiser] ontvangen en enkele maanden daarna zonder overleg de activiteiten van de onderneming gestaakt en de huurovereenkomst voor de onderneming beëindigd, waardoor [eiser] geen enkel rendement heeft genoten van de onderneming. Het pand is op 30 juni 2020 ontruimd. [eiser] lijdt schade doordat [gedaagde] zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden en vordert de door hem gedane investeringen terug. [gedaagde] is met de terugbetaling van deze investeringen in verzuim.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. Primair voert [gedaagde] aan dat partijen in een eerder geschil een regeling hebben getroffen tegen finale kwijting. Met die regeling was de onderhavige door [eiser] gestelde vordering ook komen te vervallen. Het klopt, subsidiair, niet dat partijen samen de onderneming van [naam 2] hebben overgenomen voor € 23.000,-. [gedaagde] heeft, zonder [eiser], de onderneming overgenomen van [naam 3]. [gedaagde] heeft haar € 1.500,- voor de inventaris betaald en geen overnamesom. [gedaagde] betwist daarnaast dat [eiser] investeringen gedaan heeft in de onderneming, [eiser] heeft helemaal niets betaald aan [gedaagde]. [eiser] betaalde ook geen huur. Partijen hebben ook niet afgesproken dat zij met elkaar zouden afrekenen. [eiser] heeft in april 2020 wel tegen [gedaagde] gezegd dat hij de zaak wilde overnemen. Hier ging [gedaagde] mee akkoord mits [eiser] kon bewijzen dat hij de onderneming draaiende kon houden en dat heeft [eiser] niet gedaan. De huurovereenkomst is geëindigd omdat er een huurachterstand was en de verhuurder niet meer aan een horecaonderneming wilden verhuren.
2.4.
[gedaagde] vraagt om [eiser] in de proceskosten te veroordelen. Hij heeft kosten gemaakt om zich tegen de eis van [eiser] te kunnen verweren en verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld om aan hem € 772,- te betalen. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:
4 x € 75,- aan kosten voor juridisch advies € 300,-
het opnemen van verlof door de dochter van [gedaagde] € 120,-
misgelopen werk € 280,-
benzinekosten € 72,-
Beoordeling
3.1.
Allereerst stelt de kantonrechter vast dat partijen geen regeling hebben getroffen in een eerdere procedure over onderhavig geschil. De eerdere procedure en de destijds op de zitting tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst zag alleen op achterstallig loon.
3.2.
Partijen zijn het niet eens over de afspraken die zij hebben gemaakt in het kader van de overname en de door [eiser] gestelde betalingen worden allemaal door [gedaagde] betwist. [eiser] heeft op de zitting gezegd dat de afspraken mondeling tussen hem en [gedaagde] tot stand zijn gekomen en dat de betalingen contant zijn gedaan. [eiser] heeft verklaard dat hij geen betalingsbewijzen heeft, maar dat hij nog stukken zou kunnen indienen waaruit de afspraken tussen hem en [gedaagde] blijken alsmede dat hij de gestelde betalingen heeft gedaan. Tijdens de zitting heeft [eiser] verklaard dat er een transcript is van een gesprek waarin [gedaagde] erkent dat de door [eiser] gestelde afspraken zijn gemaakt en dat hij foto’s heeft gemaakt van een door [gedaagde] geschreven bericht waaruit betalingen van [eiser] zouden blijken. [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld om dit transcript en de foto’s in het geding te brengen, waarna [gedaagde] daarop mag reageren.
3.3.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 7 november 2024 om 10.00 uur om [eiser] in de gelegenheid te stellen om het onder overweging 3.2. genoemde stukken in het geding te brengen, waarna [gedaagde] daarop mag reageren;
4.2.
de schriftelijke reactie moet uiterlijk de dag voor de zitting die hierboven staat in tweevoud zijn ontvangen op de rechtbank. In dat geval is het niet nodig dat [eiser] naar de zitting komt;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken.
50744