Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-01
ECLI:NL:RBROT:2024:10749
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,318 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11183017 CV EXPL 24-16643
datum uitspraak: 1 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Wouters Gerechtsdeurwaarder & Incasso's,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaatsnaam],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 22 juni 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlage;
de repliek, met bijlagen;
de dupliek.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 17 maart 2015 de woning aan [adres] van Havensteder. De huur is nu € 560,76 per maand. Volgens Havensteder is er op dit moment een huurachterstand van € 235,76 over de maand oktober 2023. Zij eist daarom dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt met bijkomende kosten. [gedaagde] is het daar niet mee eens en stelt dat er sprake was van gebreken in de woning en verwijtbaar handelen aan de zijde van Havensteder waardoor zij in oktober 2023 niet in de woning kon wonen. Hierdoor is het woongenot van [gedaagde] aangetast en zij vindt daarom dat zij geen huur is verschuldigd over oktober 2023.
2.2.
De kantonrechter geeft Havensteder gelijk. Dit betekent dat [gedaagde] de huurachterstand moet betalen met bijkomende kosten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Huurachterstand
2.3.
[gedaagde] wordt veroordeeld om de huurachterstand van € 235,76 aan Havensteder te betalen. Havensteder heeft onderbouwd gesteld dat dit de huurachterstand is over de maand oktober 2023. Volgens [gedaagde] kon zij in die periode niet in de woning wonen wegens gebreken en verwijtbaar handelen van Havensteder. Havensteder betwist dat er sprake was van zodanige gebreken dat de woning niet bewoonbaar was. Het is dan aan [gedaagde] om de door haar gestelde gebreken en het daardoor verminderde woongenot te onderbouwen, maar dat heeft zij niet voldoende gedaan. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat er sprake was van gebreken in de woning waardoor deze niet bewoonbaar was in oktober 2023. [gedaagde] moet dan ook de huur over oktober 2023 nog betalen.
Incassokosten
2.4.
De incassokosten van € 48,40 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Rente
2.5.
De rente wordt ook toegewezen, omdat Havensteder genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Havensteder moet betalen de rente van € 0,32 die Havensteder heeft berekend tot 19 juni 2024.
Ambtshalve toetsing
2.6.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog oneerlijke bepalingen zijn in de huurvoorwaarden, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. Ook is onderzocht of een deel van de eis moet worden afgewezen omdat [gedaagde] onvoldoende of onjuiste informatie heeft gekregen. Dat is niet het geval.
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 164,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 82,-) en € 41,- aan nakosten. Dat is in totaal € 472,38. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 284,48 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 235,76 vanaf 19 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 472,38;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
53954