Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-17
ECLI:NL:RBROT:2024:10734
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,661 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11229364 CV EXPL 24-18434
datum uitspraak: 17 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
ZBI Fondsmanagement GmbH,
vestigingsplaats: Erlangen, Duitsland,
eiseres,
gemachtigde: [naam],
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaatsnaam],
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ZBI’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 17 juli 2024, met bijlagen;
de rolbeslissing van 15 augustus 2024;
de akte van ZBI, met bijlagen.
1.2.
[gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend (artikel 139 Rv).
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde] huurt een woning van ZBI. Volgens ZBI heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan. Zij eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om die te betalen, met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 1.733,41 betalen
2.2.
Volgens ZBI heeft [gedaagde] een huurachterstand van € 1.758,41, berekend tot en met juli 2024. Die huurachterstand lijkt afgezien van € 25,- niet onrechtmatig of ongegrond en wordt daarom in zoverre toegewezen. De kantonrechter wijst niet de volledige eis toe, omdat de huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is. Dat licht zij hierna toe.
2.3.
Omdat er sprake is van een overeenkomst tussen een consument en een bedrijf moet de kantonrechter beoordelen of er in de huurovereenkomst oneerlijke bepalingen staan, die relevant zijn voor deze zaak. Dat is het geval. In de algemene voorwaarden staat namelijk dat ZBI de huur jaarlijks mag verhogen met de consumentenprijsindex (CPI). In de huurovereenkomst staat dat zij de huur daarnaast met nog eens maximaal 5% mag verhogen. In de rolbeslissing heeft de kantonrechter voorlopig geoordeeld dat deze combinatie oneerlijk is. Op zichzelf heeft ZBI dat oordeel niet betwist. Zij stelt echter (onder verwijzing naar de recente conclusie van de Advocaat-Generaal over dit onderwerp), dat de bepaling uit de algemene voorwaarden en de huurovereenkomst gesplitst kunnen worden.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat splitsing niet mogelijk. Bepalend is namelijk niet of tekstueel sprake is van losse bepalingen maar of inhoudelijk sprake is van het regelen van meerdere situaties. Dit volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU. In dit geval gaat het inhoudelijk om één situatie, namelijk het jaarlijks verhogen van de huurprijs.
2.5.
Als een huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is, dan heeft dat als gevolg dat de kantonrechter deze bepaling moet vernietigen. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de huurprijswijzigingsbepaling er nooit is geweest. Dit leidt ertoe dat alle huurverhogingen komen te vervallen en dat de huurprijs die de partijen bij het sluiten van de overeenkomst hebben afgesproken altijd is blijven gelden.
2.6.
Voor de huurachterstand die ZBI eist heeft dit geen grote gevolgen. Zij heeft de huur per 1 juli 2024 voor het eerst met € 25,- verhoogd. Die verhoging komt dus te vervallen. Daarom is de toegewezen huurachterstand € 25,- lager dan ZBI heeft berekend.
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
ZBI eist de wettelijke rente over € 2.789,41 vanaf 1 juni 2024. Die eis lijkt niet ongegrond of onrechtmatig en wordt daarom toegewezen. Omdat de huurachterstand na die datum steeds veranderd is, wordt de rente toegewezen zoals in de beslissing staat.
[gedaagde] moet incassokosten van € 319,15 betalen
2.8.
De incassokosten van € 319,15 worden toegewezen, omdat deze eis niet onrechtmatig of ongegrond lijkt.
De rest van de eis wordt afgewezen
2.9.
Uit het voorgaande volgt dat een bedrag van € 2.052,56 word toegewezen. ZBI eist een hoger bedrag van € 2.247,18, maar zij heeft hiervoor geen onderbouwing gegeven (afgezien van de hiervoor behandelde € 25,-). Dit bedrag is het gevolg van een onjuiste rekensom. Het overige deel van het bedrag lijkt dus ongegrond en wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan ZBI moet betalen op € 136,71 aan dagvaardingskosten, € 372,- aan griffierecht, € 204,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 814,71. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat ZBI dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan ZBI € 2.052,56 te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de huurachterstand die na iedere wijziging vanaf 1 juni 2024 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van ZBI worden begroot op € 814,71;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
33394
Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, 3.7.1-3.7.3
Parket Hoge Raad 19 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:770, 6.10-6.24
HvJ EU 23 november 2023, ECLI:EU:C:2023:911, 47