Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-25
ECLI:NL:RBROT:2024:10680
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,639 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9235
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker
(gemachtigde: mr. M.G.J. Plat),
en
de burgemeester van de gemeente Rotterdam, de burgemeester
(gemachtigden: mr. A. Wintjes en mr. J.P. Langenbach).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij].
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de sluiting van zijn woning voor de duur van één maand.
1.1.
Met het bestreden besluit van 27 september 2024 heeft de burgemeester daartoe besloten, omdat sprake was van een illegale seksinrichting. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de burgemeester. Namens [derde-partij] zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker huurt de woning aan [adres] (hierna: de woning). [derde-partij] is de eigenaar van de woning. Verzoeker huurt de woning via het Housing First traject van [derde-partij].
3. Op 8 juli 2024 is er door de politie een bestuurlijke rapportage opgemaakt over de woning. Uit de rapportage volgt dat al langere tijd sprake is van klachten rondom de woning. De klachten hebben onder andere betrekking op overlast als gevolg van illegale prostitutie. De politie heeft op verschillende momenten een huisbezoek afgelegd. Zowel op 8 september 2023 als op 13 mei 2024 werd verzoeker niet aangetroffen in woning, maar wel een schaars geklede vrouw. Daarnaast werd op 8 september 2023 een plastic tas met propjes wc-papier gevonden, waarbij in sommige propjes gebruikte condooms zaten. Op 8 juli 2024 heeft wederom een controle plaatsgevonden na een melding van overlast door prostitutie. Daarbij werden twee mannen aangetroffen in de woning. Een van de mannen verklaarde wel werkzaam te zijn in de prostitutie, maar in Nederland te zijn als toerist. De andere man verklaarde geen sekswerker te zijn. Uit het rapport blijkt verder dat de verschillende kamers in de woning ingedeeld waren als afwerkkamers. Voor verzoekers adres was geen vergunning verleend voor de exploitatie van een seksinrichting. De burgemeester heeft een sluiting van de woning van een maand noodzakelijk geacht om de openbare orde te herstellen.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Verzoeker is het niet eens met de sluiting van zijn woning. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de sluiting van de woning wordt opgeheven en hij weer in zijn woning kan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6.1.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6.2.
Verzoeker stelt dat hij toegang tot de woning nodig heeft. Hij logeert wel eens bij zijn vriendin en de drie jonge kinderen, maar hij kan daar niet voortdurend blijven. Voortdurend verblijf bij zijn vriendin in de woning legt namelijk een te grote druk op de relatie. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling.
Wat zijn de toepasselijke regels?
7. Volgens artikel 3:2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) wordt onder seksbedrijf verstaan de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling. Uit artikel 3:3, eerste lid, van de APV volgt dat het verboden is een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning. Op basis van artikel 3:9a, eerste lid, van de APV kan het bevoegde bestuursorgaan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning. In de Nota prostitutie en seksbranche Rotterdam 2015 (de nota) staat beschreven dat de burgemeester overgaat tot een tijdelijke sluiting van de woning als deze als bedrijfsmatig prostitutiebedrijf wordt gebruikt.
Bevoegdheid
8. Verzoeker betwist dat in de woning gelegenheid tot het voeren van een bedrijfsmatig prostitutiebedrijf wordt gegeven. Er is niet geconstateerd door de politie dat de personen die zijn aangetroffen in de woning ook daadwerkelijk vanuit de woning seksuele diensten aanboden. Ook zijn er geen overlastmeldingen gedaan en is het onduidelijk naar aanleiding van wat voor een melding de politie op 8 juli 2024 bij de woning van verzoeker kwam. Er kan daarom niet worden gesproken van een seksbedrijf.
9. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om te betwijfelen dat vanuit de woning van verzoeker een seksbedrijf werd geëxploiteerd. De burgemeester was daarom bevoegd om de woning te sluiten. De burgemeester heeft daarbij van belang mogen achten dat de woning is ingedeeld in verschillende (slaap)kamers. In elke kamer staat een bed, ook in de woonkamer. In de woning zijn verder (in koffers) de spullen gevonden van de personen die daar op dat moment verbleven en ook meerdere flesjes glijmiddel, pakjes condooms, poppers en seksspeeltjes. Daar komt bij dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat op 8 september 2023 en 13 mei 2024 een schaars geklede vrouw is aangetroffen in de woning, waarbij de Colombiaanse vrouw op 13 mei 2024 heeft verklaard dat zij vrijwillig werkzaam is in de prostitutie. De mannen die op 8 juli 2024 aangetroffen zijn in de woning ontkenden als prostituee te werken in de woning. Een van hen gaf aan wel werkzaam te zijn in de prostitutie, maar niet op dat moment. Ook verklaarde hij: “Ik ben momenteel niet online op seksadvertenties. Ik ben dit werk gaan doen omdat ik financieel in een slechte situatie zat. Ik doe dit werk niet in Spanje. Ik doe dit prostitutiewerk geheel vrijwillig. Sinds de laatste keer dat ik een controle heb gehad heb ik geen klanten meer ontvangen in deze ruimte”. Ook noemden de mannen dat nog een andere vrouw in de woning verbleef en dat zij wel iets met prostitutie deed. Zij hebben haar niet zien werken. Hoewel door de aangetroffen personen niet expliciet is verklaard dat zij op 8 juli 2024 in de woning werkzaam zijn als prostituee, vindt de voorzieningenrechter het op basis van de verklaringen van de verschillende aangetroffen personen en de wijze waarop de woning is ingericht wel aannemelijk dat sprake is van een seksbedrijf in de woning. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat er op 13 mei 2024 en op 8 juli 2024 meldingen zijn gedaan van overlast prostitutie op het adres van verzoeker. Daar komt bij dat de verklaring van verzoeker dat hij af en toe bezoek achterlaat in zijn woning als hij de deur uit is, niet strookt met de overige verklaringen. Verzoeker heeft verklaard dat de twee mannen die op 8 juli 2024 zijn aangetroffen vrienden van zijn neefje zijn. Een van de mannen verklaarde echter dat hij via een vriend en contactgegevens van een jongen aan de plek is gekomen. De andere man verklaarde in de woning te verblijven via een vrouw uit Spanje.
Noodzaak
10. Bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
11. Verzoeker stelt dat geen sprake is van noodzaak om de woning te sluiten. Er zijn geen overlastmeldingen bij de politie binnengekomen. Daarnaast heeft de politie op 8 juli 2024 de woning betreden, maar heeft de burgemeester pas met het besluit van 27 september 2024 de woning gesloten na de zienswijzeprocedure doorlopen te hebben. In de tussentijd zijn geen meldingen binnengekomen. De burgemeester kon daarom volstaan met een waarschuwing.
12.
Conclusie
15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester verzoeker vooralsnog geen toegang hoeft te verlenen tot zijn woning. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2024.
griffier
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.