Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-06
ECLI:NL:RBROT:2024:10651
Civiel recht
Beschikking
2,150 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/684398 / JE RK 24-1815
Datum uitspraak: 6 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam 1] en [naam 2],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [plaatsnaam] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 15 augustus 2024, ontvangen op dezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 september 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door een tolk in de Chinese taal, [naam 3] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 4] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
Bij beschikking van 21 september 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 september 2024.
2.4.
Bij beschikking van 9 februari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 september 2024 verleend.
3Het verzoek
De GI verzoekt een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
De GI handhaaft ter zitting het verzoek. De reden dat het verzoek een periode van zes maanden betreft is praktisch van aard, daardoor lopen de termijnen gelijk met de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor de broer van [minderjarige] , [naam 5] , die in hetzelfde gezinshuis verblijft. De afgelopen periode is er geen actieve betrokkenheid vanuit de GI geweest. [minderjarige] mist zijn ouders, maar een thuisplaatsing van [minderjarige] is niet mogelijk. De hulpverlening heeft daarin geen verandering weten te brengen. De komende periode dient het perspectief van [minderjarige] (en [naam 5] ) te worden bepaald. Daarnaast is het belangrijk dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld.
5Het standpunt van de ouders
De ouders stemmen in met het verzoek en brengen ter zitting het volgende naar voren. De ouders hebben slechts één keer per twee weken een uur omgang met [minderjarige] en dat zorgt voor spanning. De ouders en [minderjarige] wensen een langere duur van de omgang. Daarnaast zou het prettig zijn als [minderjarige] een keer peer maand thuis kan slapen.
Beoordeling
6.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De zorgen over [minderjarige] zijn voornamelijk gelegen in de gebrekkige opvoedvaardigheden van de ouders. De kinderrechter verwijst hiervoor naar de beschikking van 9 februari 2024. De ouders zijn onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de (opvoed)behoeften van [minderjarige] en hem te bieden wat hij nodig heeft. De inzet van verschillende (intensieve) vormen van hulpverlening heeft daarin de afgelopen jaren geen verandering weten te brengen. De ouders hebben hun leerplafond bereikt en de hulpverlening is uitgeput.
6.2.
[minderjarige] verblijft sinds 9 februari 2024 weer in het gezinshuis en daar heeft hij sindsdien positieve stappen gemaakt. [minderjarige] volgt onderwijs, hij heeft sociale contacten en de zorgen over zijn persoonlijke verzorging en hygiëne zijn afgenomen. Daarnaast stelt [minderjarige] zich meewerkend op en houdt zich aan de regels. Hierdoor is er sprake van een positieve ontwikkeling.
6.3.
Om de positieve ontwikkeling voort te zetten en de rust en stabiliteit van [minderjarige] te waarborgen is het van belang dat zijn verblijfsplek in het gezinshuis gecontinueerd wordt. Daarnaast acht de kinderechter de betrokkenheid van een jeugdbeschermer nog passend en nodig om de regie te voeren en de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] te bewaken, zodat hij zich op een positieve manier verder kan ontwikkelen.
6.4.
Voor de komende periode is het in het belang van [minderjarige] dat zijn perspectief wordt bepaald. Daarnaast is het noodzakelijk dat er samen met de ouders en [minderjarige] , met behulp van een tolk, een omgangsregeling op maat wordt bepaald die aan de wensen van zowel [minderjarige] als de ouders tegemoet komt en door [minderjarige] als prettig wordt ervaren. In dat verband is het van belang dat rekening wordt gehouden met de omgangsregeling tussen de ouders en [naam 5] en dat rivaliteit tussen de broers wordt voorkomen.
6.5.
Gelet op vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW). De kinderrechter is tevens van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
6.6.
De kinderrechter merkt tot slot op dat het betreurenswaardig is dat de GI de afgelopen periode onvoldoende uitvoering aan de ondertoezichtstelling heeft gegeven. Zo is er niet tot nauwelijks aandacht geweest voor de rol van de ouders en hun contact met [minderjarige] . Het moge duidelijk zijn dat de GI hiermee niet heeft gehandeld zoals van haar mag worden verwacht. Het is noodzakelijk de GI de komende periode aan de slag gaat om de situatie te veranderen.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 24 maart 2025;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 maart 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2024 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Lankhaar als griffier, en op schrift gesteld op 16 september 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.