Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-05
ECLI:NL:RBROT:2024:10454
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,075 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 5 september 2024
in de zaak van:
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 10 juni 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- [schuldeiser], in behandeling bij Gerechtsdeurwaarders Van der Meer & Philipsen (hierna: [schuldeiser]);
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 21 augustus 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw A. Ramanand, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Op 22 augustus en 30 augustus 2024 heeft schuldhulpverlening aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift drieëntwintig schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering en tweeëntwintig concurrente schuldeisers met drieëntwintig vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 85.018,82 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 26 februari 2024 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 24,4% aan de preferente schuldeiser en 12,2% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast was op dat moment € 82.824,18. De schuldenlast is derhalve lager geworden. Het aangeboden percentage is hetzelfde gebleven.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking.
Verzoekster werkt parttime (28 uur per week) en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij naast haar dienstbetrekking een opleiding volgt, om welke reden zij thans niet in staat is om meer uren te werken. In haar e-mailbericht van 22 augustus 2024 heeft schuldhulpverlening meegedeeld dat er een extra inleg van € 6.500,-- zal worden gedaan. Voorts heeft schuldhulpverlening voorgesteld om de regeling in te laten gaan per 1 juli 2024. Verzoekster is zowel met de extra inleg als de ingangsdatum van de regeling van 1 juli 2024 akkoord. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Tweeëntwintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 12.360,92 op verzoekster, welke 14,5% van de totale schuldenlast beloopt.
3Het verweer
In de contacten met schuldhulpverlening heeft de curator namens [schuldeiser] laten weten niet akkoord te gaan met de aangeboden regeling. Dit is verder niet toegelicht.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [schuldeiser] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 14,5%.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk tweeëntwintig van de drieëntwintig schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht.
Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster 28 uur per week werkt. Daarnaast volgt zij een opleiding, waardoor zij niet in staat is om meer uren te werken. Verzoekster heeft een bedrag van € 6.500,-- ingelegd en voorgesteld de regeling in te laten ingaan met ingang van 1 juli 2024. De rechtbank is van oordeel dat hiermee het feit dat verzoekster vanwege haar opleiding parttime werkt, wordt gecompenseerd en verzoekster het maximaal haalbare heeft aangeboden aan haar schuldeisers.
Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoekster zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [schuldeiser], die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.
Dictum
De rechtbank:
- beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 september 2024.
De griffier is buiten staat
dit vonnis te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.