Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-21
ECLI:NL:RBROT:2024:10349
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,610 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 11058032 CV EXPL 24-10710
datum uitspraak: 30 augustus 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van:
Hoist Finance AB,
vestigingsplaats: Stockholm (Zweden) en kantoorhoudende te Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] , die handelt onder de naam [bedrijf A]
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘Hoist Finance’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 22 maart 2024, met bijlagen;
het mondelinge verweer van [gedaagde] ;
de repliek van Hoist Finance;
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de repliek, maar van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
Tussen Volkswagen Bank GmbH - handelend onder de naam Autocash - als lessor en Autobedrijf van Leersum & zn. als leverancier enerzijds, en [gedaagde] als lessee anderzijds is een financial leaseovereenkomst tot stand gekomen betreffende een auto, voor een totaalprijs van € 45.466,00 inclusief de kredietvergoeding over de looptijd van de overeenkomst. De uit deze overeenkomst voortvloeiende vorderingsrechten op [gedaagde] zijn tweemaal gecedeerd, eerst aan Volkswagen Leasing BV, wat later Volkswagen Pon Financial Services BV is gaan heten, en daarna aan Hoist Finance. [gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan in zijn termijnbetalingsverplichting(en). Daarom heeft Volkswagen Pon Financial Services BV, in overleg met [gedaagde] , voornoemde auto teruggenomen en verkocht voor een prijs van € 15.730,00. Volkswagen Pon Financial Services BV heeft dit bedrag (verminderd met de verkoopkosten) vervolgens in mindering gebracht op het uitstaande saldo, maar betaling van het restantbedrag is tot op heden uitgebleven. Daarom eist Hoist Finance om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 12.052,61 vermeerderd met de overeengekomen contractuele rente over de periode vanaf 9 oktober 2019 tot 18 maart 2024. Verder wil Hoist Finance dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proces- en incassokosten en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard wordt.
2.2.
[gedaagde] betwist de achterstand op het moment van de terugname en verkoop. Hij geeft aan dat de auto kapotging en de reparatiekosten dusdanig hoog waren, dat hij eiser de auto heeft laten ophalen. Hierna is afgesproken dat de auto verkocht werd en hij nog zou horen hoeveel hieruit kwam. Verder is met hem niet gesproken over de kosten die hij later moest betalen.
2.3.
De kantonrechter wijst de vordering van Hoist Finance toe.
[gedaagde] moet de hoofdsom betalen
2.4.
Hoist Finance eist een hoofdsom van € 12.052,61. Deze is gebaseerd op de resterende termijnen min het bedrag dat de auto heeft opgeleverd bij de verkoop hiervan. [gedaagde] betwist dat er sprake was van een betalingsachterstand, maar motiveert dit niet. Hij heeft ook niet gereageerd op de sommaties en overzichten van Hoist Finance, waar dit wel op de weg van [gedaagde] lag. Door dit nalaten wordt aangenomen dat er sprake was van de door Hoist Finance gestelde betalingsachterstand. [gedaagde] heeft niet betwist dat als gevolg daarvan de resterende leasetermijnen opeisbaar zijn geworden en dat Pon Financial Services de auto mocht terugnemen en verkopen, zodat ook dit tussen partijen vaststaat. [gedaagde] is op grond van het voorgaande het na de verkoop van de auto resterende saldo, de hoofdsom van € 12.052,61, aan Hoist Finance verschuldigd.
[gedaagde] moet contractuele rente aan Hoist Finance betalen
2.5.
De contractuele rente wordt toegewezen, omdat Hoist Finance genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Partijen hebben deze rente afgesproken. Die afspraak vervangt de wettelijke (handels)rente. Hierdoor wordt het gevorderde bedrag van € 2.831,54 toegewezen.
[gedaagde] moet de incassokosten betalen
2.6.
De incassokosten van € 895,53 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) en [gedaagde] zich hier verder niet over uitlaat.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.7.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Hoist Finance op € 122,75 aan dagvaardingskosten, € 1.409,- aan griffierecht, € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.478,75. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hoist Finance dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hoist Finance te betalen € 15.79,68 met de afgesproken contractuele rente van 1,5% per maand over een bedrag van € 12.052,61 vanaf 18 maart 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hoist Finance worden vastgesteld op € 2.478,75;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom.
62914