Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-08
ECLI:NL:RBROT:2024:10316
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,217 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 8 augustus 2024
[verzoekster]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 7 mei 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juli 2024.
Ter zitting van 11 juli 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw N.J. Eckhardt, werkzaam bij CKN Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De beschermingsbewindvoerder heeft op 12 juli 2024 aanvullende stukken toegezonden.
Schuldhulpverlening heeft op 24 juli 2024 aanvullende stukken toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
Feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. Verzoekster heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 32 uur per week. Vanwege gezondheidsklachten is verzoekster niet in staat om fulltime te werken. Ten behoeve van het minnelijk traject is er een extra inleg gedaan van € 6.443,--. Schuldhulpverlening heeft bij het verzoekschrift een
VTLB-berekening overgelegd met betrekking tot de periode vanaf juli 2023, waaruit blijkt dat de maandelijkse afloscapaciteit van € 856,13 bedraagt. Verder blijkt uit de ter zitting overgelegde VTLB-berekening met betrekking tot de periode vanaf januari 2024 dat verzoekster een afloscapaciteit van € 807,93 per maand heeft. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 19.591,03. Na de zitting heeft schuldhulpverlening laten weten dat twee schuldeisers, te weten Havensteder en Direct Pay Services B.V. (in behandeling bij LAVG) zijn voldaan, zodat de schuldenlast is gedaald naar € 18.700,81. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat er tot en met juni 2024 een bedrag van € 12.357,88 is gereserveerd voor de schuldeisers. Daarnaast beschikt verzoekster over een aanzienlijke reservering op de beheerrekening voor onvoorziene kosten van € 2.867,79.
Beoordeling
Ingevolge artikel 288, eerste lid, onder a Faillissementswet wordt het verzoek, zoals bedoeld in artikel 284, eerste lid Faillissementswet slechts toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er met terugwerkende kracht vanaf de startdatum van de schuldsaneringsregeling een bedrag van € 12.357,88 is gereserveerd ten behoeve van de schuldeisers, bestaande uit een extra inleg van € 6.443,-- en aflossingen van het inkomen van schuldenares. Daarnaast is er sprake van een aanzienlijke reservering voor onvoorziene kosten van € 2.867,29, welke kosten niet met nadere stukken zijn onderbouwd. Hierdoor is het voor de rechtbank onvoldoende aannemelijk dat deze kosten ook daadwerkelijk zullen worden gemaakt.
De schuldenlast bedraagt op basis van de huidige gegevens € 18.700,81. Uitgaande van het gereserveerde bedrag voor de schuldeisers, het gereserveerde saldo op de beheerrekening, de huidige afloscapaciteit van verzoekster en de huidige schuldenlast, zou verzoekster binnen afzienbare tijd haar volledige schuldenlast kunnen voldoen.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster zich daarmee niet bevindt in een problematische schuldensituatie. Verzoekster bevindt zich niet in een klemmende en uitzichtloze situatie. Verzoekster heeft perspectief om haar schuldenlast volledig te voldoen binnen een afzienbare periode.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.