Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-10-09
ECLI:NL:RBROT:2023:9556
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,181 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/996633-16 (ontneming)
Datum uitspraak: 9 oktober 2023
Tegenspraak (gemachtigd raadsman)
VONNIS
van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde01] ,
geboren te [geboorteplaats01] (Turkije) op [geboortedatum01] 1966,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] , [postcode01] [woonplaats01] ,
raadsman mr. G. Palanciyan, advocaat te Amsterdam.
1
Onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2023.
De behandeling van de vordering op de terechtzitting is voorafgegaan door een schriftelijke conclusiewisseling tussen de officier van justitie en de raadsman van de veroordeelde.
2
Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 20 december 2018 (hierna: het strafvonnis) is de veroordeelde veroordeeld wegens – kort weergegeven en voor zover van belang – feitelijk leiding geven aan het samen met anderen plegen van bedrieglijke bankbreuk, faillissementsfraude en witwassen.
In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Van dat strafvonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
3
Vordering van het Openbaar Ministerie
De vordering van de officier van justitie, mr. M. Boerlage, is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht en betreft voordeel dat is verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld. De vordering strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een bedrag van
€ 188.631,-.
4
Ontvankelijkheid officier van justitie
De raadsman heeft ter zitting betoogd – verkort en zakelijk weergegeven – dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De veroordeelde had, gelet op de duur van de aan hem opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, recht op een voorwaardelijke invrijheidstelling met ingang van 4 oktober 2018. Het Openbaar Ministerie heeft echter nagelaten hem tijdig in vrijheid te stellen. De veroordeelde heeft daardoor geruime tijd zonder wettelijke grond in voorlopige hechtenis doorgebracht.
De rechtbank gaat ervan uit dat de veroordeelde een periode zonder wettelijke grondslag in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, gelet op hetgeen de raadsman over de desbetreffende zitting bij het hof Den Haag heeft gezegd en op de beschikking van het hof Den Haag van 7 februari 2019 op grond waarvan de veroordeelde een dag later in vrijheid is gesteld. Wat daarvan de oorzaak zij, anders dan de raadsman heeft betoogd, is dit geen omstandigheid die het recht tot strafvervolging raakt of om een andere reden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ontnemingszaak leidt.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is.
Beoordeling
De raadsman heeft betoogd dat het gevorderde aan de veroordeelde te ontnemen voordeel niet aan hem kan worden toegerekend. De veroordeelde was slechts tot 22 augustus 2012 bestuurder van [bedrijf01] B.V. (hierna: [bedrijf01] ). Daarna had hij geen zeggenschap meer over het bedrijf en was hij niet langer verantwoordelijk voor de contante opnamen.
De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog. Uit het inmiddels onherroepelijk geworden strafvonnis volgt dat de veroordeelde van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2016 als feitelijke leidinggever binnen [bedrijf01] diende te worden aangemerkt. Ondanks dat hij in augustus 2012 als bestuurder en aandeelhouder was teruggetreden, presenteerde hij zich nadien nog als zodanig.
Uit het vonnis volgt ook dat het gevorderde bedrag is onttrokken aan de boedel van [bedrijf01] in het zicht van het faillissement en dat de veroordeelde daarin een belangrijke rol speelde.
Niet is gesteld of gebleken dat een ander dan de verdachte ook maar enige vorm van zeggenschap of beschikkingsmacht had over [bedrijf01] of over haar vermogen. Gelet daarop en bij gebrek aan een andersluidende verklaring houdt de rechtbank het ervoor dat dit bedrag aan de veroordeelde ten goede is gekomen.
De rechtbank stelt het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel conform de vordering van de officier van justitie vast op
€ 188.631,-
.
Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de inhoud van de (in het vonnis en in de voetnoten vermelde) wettige bewijsmiddelen.
6
Vaststelling van het te betalen bedrag
De raadsman heeft ter zitting betoogd dat het te betalen bedrag dient te worden gematigd met een bedrag van € 1.000,- voor iedere dag dat de veroordeelde ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en becijfert het aantal op 125 dagen. Voorts dient het te betalen bedrag te worden gematigd, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Zoals eerder vermeld, wordt er gelet op hetgeen de raadsman heeft gesteld over de desbetreffende zitting bij het hof Den Haag en op de eerdergenoemde beschikking van het hof Den Haag vanuit gegaan dat de veroordeelde een periode zonder wettelijke grondslag in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voor de vaststelling van de hoogte van een eventuele schadevergoeding biedt de onderhavige procedure echter geen kader. In zoverre wordt het verweer verworpen. De rechtbank ziet niettemin in het voorgaande aanleiding om het te betalen wederrechtelijk verkregen voordeel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te verminderen met een bedrag van € 1.000,-.
Verder acht de rechtbank het passend een bedrag van € 5.000,- in mindering te brengen als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn die, gelet op de datum dat de rechtbank in de hoofdzaak vonnis heeft gewezen, in ieder geval is opgelopen tot meer dan twaalf maanden. In de overig door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om de betalingsverplichting verder te matigen. Daarbij geldt dat het fiscaal mechanisme meebrengt dat bij de bepaling van de betalingsverplichting geen rekening dient te worden gehouden met eventueel al geheven belasting.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen om een bedrag van
€ 182.631,-
(€ 188.631,- -/- € 6.000,-) aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank zal bij het opleggen van de maatregel de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Uitgaande van een maximum duur van de gijzeling van drie jaar (artikel 36e, elfde lid, Sr hanteert de rechtbank een verdeling van € 50.000,- (maximaal 360 dagen); € 500.000 (maximaal 720 dagen) en € 5.000.000 en meer (maximaal 1080 dagen). Het aantal dagen gijzeling in deze zaak komt dan neer op 360 (de eerste € 50.000,-) plus 106 dagen (de resterende € 132.631 (132.631 ./. 450.000 X 360)) is 466 dagen.
Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.
7
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
8
Belissing
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
€ 188.631,- (zegge: honderdachtentachtig duizend zeshonderd eenendertig euro);
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van
€ 182.631,- (zegge: honderdtweeëntachtigduizend zeshonderd eenendertig euro);
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
466 (zegge: vierhonderdzesenzestig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Boek, voorzitter,
en F.A. Hut en I. Tillema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 oktober 2023.
Zie ook het ontnemingsrapport p. 10.
Het strafvonnis p. 12.
Het strafvonnis p. 11.