Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-06
ECLI:NL:RBROT:2023:9465
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,057 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/2299
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder
gemachtigde: mr. P. van Hattem.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 15 april 2022.
1.1.
Bij brief van 15 februari 2022 heeft verweerder eiser aangemaand de naheffingsaanslag parkeerbelasting met vorderingsnummer [nummer] te betalen, waarbij ook aanmaningskosten van € 8,- zijn opgelegd.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen gegrond verklaard, de aanmaningskosten verlaagd naar nihil en een proceskostenvergoeding toegekend van € 132,50.
1.3.
Eiser heeft hiertegen op 15 mei 2022 beroep ingesteld.
1.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Namens eiser is met kennisgeving daarvan niemand verschenen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1.
Verweerder heeft op 17 december 2021 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 67,86.
2.2.
Omdat de vordering nog niet was voldaan, heeft verweerder eiser op 15 februari 2022 een aanmaning gestuurd, waarbij aanmaningskosten in rekening zijn gebracht van € 8,-.
2.3.
Bij brief van eveneens 15 februari 2022 heeft verweerder aan eiser een betalingsregeling toegekend.
2.4.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanmaningskosten verlaagd naar nihil en een proceskostenvergoeding toegekend van € 132,50, te weten één procespunt met een waarde van € 265,- met wegingsfactor 0,5.
Geschil
3.1.
In geschil is de hoogte van de kostenvergoeding in de bezwaar- en beroepsfase.
3.2.
De gemachtigde van eiser voert aan dat verweerder ten onrechte voor de proceskostenvergoeding in bezwaar € 265,- als waarde voor het procespunt heeft gehanteerd in plaats van € 269,-. Hij verzoekt daarom in beroep de juiste proceskostenvergoeding in bezwaar vast te stellen. Ook verzoekt hij om vergoeding van het betaalde griffierecht en de gemaakte proceskosten in beroep, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.3.
Verweerder erkent dat per abuis voor de proceskostenvergoeding in bezwaar een bedrag van € 265,- is gehanteerd in plaats van € 269,-. Hij heeft een interne notitie van 24 juli 2023 overgelegd, waaruit blijkt dat de betreffende interne afdeling is verzocht de te weinig betaalde € 2,- alsnog aan eiser te betalen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat het bedrag aan eiser is betaald. Verweerder vraagt zich af of het redelijk is om voor een verschil van € 2,- een proceskostenvergoeding in beroep toe te kennen, omdat deze fout gemakkelijk informeel gecorrigeerd had kunnen worden. Primair verzoekt hij daarom af te zien van een proceskostenvergoeding in beroep. Daarbij heeft hij verwezen naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Subsidiair verzoekt verweerder om de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding in beroep vast te stellen op 0,25 (zeer licht) omdat het beroep enkel gaat om de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar waarbij sprake is van een gering financieel verschil. Daarbij heeft hij verwezen naar uitspraken van het gerechtshof Den Haag, het gerechtshof Amsterdam en de rechtbank Midden-Nederland.
Beoordeling
4. Eiser wil met het beroep bereiken dat verweerder voor de proceskostenvergoeding in bezwaar de juiste waarde van € 269,- voor het procespunt hanteert.
5. Omdat verweerder inmiddels heeft erkend dat de juiste waarde per procespunt € 269,- is en alsnog € 2,- heeft betaald aan eiser, is volledig aan eiser tegemoetgekomen. Eiser kan met zijn beroep niets meer bereiken dan hij al bereikt heeft. Daarom moet het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie
6.1.
Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk.
6.2.
Omdat verweerder aan eiser tegemoet is gekomen nadat eiser beroep heeft ingesteld, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser maakt aanspraak op wettelijke rente over het griffierecht. De rechtbank zal bepalen dat eiser recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.
6.3.
Daarnaast is de rechtbank bevoegd verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Verweerder heeft inmiddels het hierbij per abuis gehanteerde bedrag van € 265,- hersteld en aan eiser de gevraagde kosten overgemaakt. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
6.4.
Uit de parlementaire geschiedenis van de Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening gerechtelijke organisatie), blijkt dat met de woorden ‘redelijkerwijs heeft moeten maken’ tot uitdrukking is gebracht dat niet slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest.
6.5.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:GHAMS:2018:96.
ECLI:NL:GHDHA:2021:437.
ECLI:NL:GHAMS:2022:2801.
ECLI:NL:RBMNE:2023:860.
Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Kamerstukken II, 1991-92, 22495, nr. 3, p. 154.