Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-13
ECLI:NL:RBROT:2023:9447
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,862 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10565031 VZ VERZ 23-6877
Uitspraak: 13 september 2023
Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam
in de zaak van:
[verzoeker01]
,
woonplaats: [woonplaats01] ( [land01] ),
verzoeker,
gemachtigde: mr. U. Hoogland,
tegen
Acta Marine B.V.
,
vestigingsplaats: Den Helder,
verweerster,
gemachtigden: mr. E. Harlaar en mr. J.M. Groen.
De partijen worden hierna ‘ [verzoeker01] ’ en ‘Acta’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
het verzoekschrift met bijlagen;
het verweerschrift met bijlagen;
de brief met aanvullende bijlagen van [verzoeker01] van 11 augustus 2023.
1.2.
De zaak is op 16 augustus 2023 tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken.
Geschil
2.1.
[verzoeker01] (geboren in 1982) is op [datum] als Deck Equipment Engineer (DEE) in dienst getreden bij Acta. Acta heeft bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd voor [verzoeker01] en het UWV heeft deze vergunning op 25 mei 2023 verleend. Acta heeft vervolgens haar arbeidsovereenkomst met [verzoeker01] tegen 1 juli 2023 opgezegd.
2.2.
[verzoeker01] verzoekt, na intrekking van een deel van zijn verzoek:
1. zijn arbeidsovereenkomst met Acta per 1 juli 2023 te herstellen dan wel Acta ertoe te veroordelen dit te doen, met veroordeling van Acta hem vanaf 1 juli 2023 zijn loon weer te betalen en hem toe te laten tot zijn werk en voor het geval de arbeidsovereenkomst niet per 1 juli 2023 maar per een latere datum wordt hersteld, een financiële voorziening te treffen voor de tussentijd;
2. Acta te veroordelen tot betaling van:
- een transitievergoeding van € 7.469,09 bruto;
- € 36.314,88 bruto aan verlofdagen;
- € 5.174,95 bruto voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn;
- een reisdagenvergoeding van € 4.630,50 bruto;
- een winstdelingsuitkering van € 4.633,30 bruto.
2.3.
Acta voert verweer.
2.4.
Als dit voor de beoordeling van belang is, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [verzoeker01] zijn verzoeken en Acta haar verweer daartegen onderbouwt.
Beoordeling
woord vooraf
3.1.
De kantonrechter stelt voorop de frustratie die [verzoeker01] over de gang van zaken lijkt te hebben te begrijpen. [verzoeker01] is op enig moment in vaste dienst gekomen en vrij kort daarna kwam al de mededeling dat zijn functie als DEE zou vervallen. Deze mededeling kwam toen hij langdurig ziek thuis zat. [verzoeker01] zei op de zitting het altijd naar zijn zin gehad te hebben bij Acta. Daar is dan nu een einde aan gekomen. Dit is uiteraard, op zijn zachtst gezegd, niet leuk voor [verzoeker01] , en dat dit bij hem tot de, overigens door Acta weerlegde, gedachte heeft geleid dat Acta andere redenen moet hebben gehad van hem af te willen (zijn ziekte, zijn aanspraak op loon en verlof) is vanuit hem gezien ook niet onbegrijpelijk. Niettemin moet zakelijk naar de kwestie gekeken worden. Aan de hand van wat de wet zegt over herstel van de arbeidsovereenkomst. Want dat is waar het [verzoeker01] hoofdzakelijk om gaat.
herstel arbeidsovereenkomst
3.2.
Acta kan haar arbeidsovereenkomst met [verzoeker01] opzeggen als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verzoeker01] in een andere passende functie niet mogelijk is binnen een redelijke termijn. Een redelijke grond om een arbeidsovereenkomst op te zeggen is, artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek:
het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.
3.3.
Acta heeft het UWV op deze grond om een ontslagvergunning voor [verzoeker01] gevraagd, heeft deze gekregen en heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker01] opgezegd. De kantonrechter kan dit terugdraaien en de arbeidsovereenkomst herstellen als het UWV ‘het niet goed heeft gezien’, als met andere woorden de hiervoor onder 3.2. genoemde situatie zich niet voordoet (artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek).
3.4.
Van een onjuiste beslissing van het UWV is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. Het UWV merkt terecht op (pagina 5 van haar beslissing) dat het hoort tot de vrijheid van de werkgever om zijn onderneming met enige regelmaat onder de loep te nemen en naar eigen inzicht wijzigingen in de inrichting van de organisatie door te voeren als het aannemelijk is dat deze zullen leiden tot een doelmatige bedrijfsvoering. Acta zet uiteen, bij het UWV en herhaalt dit in deze procedure, dat zij ervoor gekozen heeft de functie DEE, de functie van [verzoeker01] , te laten vervallen en het werk dat bij die functie hoort, voor zover dat in de loop van de tijd al niet minder geworden is, in andere functies onder te brengen (de DEO, de technische dienst). [verzoeker01] is het daar niet mee eens en maakt uitgebreid duidelijk wat er niet klopt aan het besluit van Acta (en de beslissing van het UWV). Dat kan, het er niet mee eens zijn, en het is vanuit [verzoeker01] gezien wellicht ook begrijpelijk (hij raakt zijn baan immers kwijt), maar als Acta dit wil, staat het haar vrij dit te doen. Zij is immers de werkgever. Als Acta stelt, en onderbouwt met een uitgebreid verhaal, dat het vervallen van de DEE zal leiden tot een doelmatige bedrijfsvoering, dan kan een ander daarvan het zijne denken, maar andere gedachten over de gang van zaken, ontneemt Acta niet het recht te doen wat zij als werkgever het juiste vindt om te doen. Dat het langdurig ziek-zijn van [verzoeker01] , gedurende welke periode het Acta is gebleken dat zij het ook zonder DEE kon stellen (want er is niet voor vervanging tijdens ziekte gezorgd), hierbij een rol kan hebben gespeeld maakt dit niet anders.
3.5.
Acta heeft met [verzoeker01] gesproken over herplaatsingsmogelijkheden binnen Acta. Dit heeft echter nergens toe geleid. HR Adviseur [naam01] vertelde hier op de zitting over: ‘Ik heb bij het eerste gesprek gezeten. [verzoeker01] gaf niet aan vaarbevoegdheid te hebben of waar hij interesse in had. Het was óf DEE óf ETO (Electro Technical Officer). Daar bleef hij bij’. De functie DEE vervalt en de functie ETO is, los van de benodigde (uitvoerige) scholing, niet binnen een redelijke termijn beschikbaar. De functie van DEO (Deck Equipment Operator) die hem is aangeboden, waarvoor binnen Acta veel vraag naar is, vond hij niet interessant. [verzoeker01] wekte op de zitting weliswaar de indruk dat hij openstond voor verschillende functies, maar hij betwist niet de door [naam01] genoemde ‘of dit of niets’-houding. Als een werknemer die houding aanneemt, ontneemt dat de werkgever ook al gauw de mogelijkheid serieus werk van herplaatsing te kunnen maken. Op de zitting bleek Acta niet te weten dat [verzoeker01] (beperkte) vaarbevoegdheid heeft. Hoewel dit de mogelijkheden tot herplaatsing in principe vergroot is dit aspect in de procedure volstrekt onderbelicht gebleven, zodat daar geen uitspraak over kan worden gedaan. Het kan (achteraf) gezien uiteraard altijd anders worden aangepakt, maar dat Acta bij de herplaatsing dusdanige steken heeft laten vallen, dat dit nu moet leiden tot herstel van de arbeidsovereenkomst ziet de kantonrechter niet. Acta heeft naar het oordeel van de kantonrechter gedaan wat van haar verwacht had mogen worden. Het is uiteraard wel zonde dat Acta (die mensen zoekt) en [verzoeker01] (die (nu) stelt dat hij graag bij Acta wil blijven en waar Acta tevreden over was) elkaar wat de herplaatsing betreft niet hebben kunnen vinden. Dat Acta ook bij haar zusterbedrijf Van Oord B.V. had moeten onderzoeken of [verzoeker01] daar kon worden herplaatst omdat zij dezelfde aandeelhouder hebben vindt geen steun in het recht. Het gaat om twee aparte groepen met elk hun eigen identiteit.
3.6.
Acta heeft het UWV om een ontslagvergunning gevraagd voor [verzoeker01] en zij heeft die, nadat het UWV de aanvraag uitgebreid heeft getoetst in een beslissing van acht pagina’s, zowel wat het vervallen van de functie als de herplaatsingsinspanning betreft, gekregen. De kantonrechter heeft zoals gezegd geen aanleiding om aan de juistheid van het oordeel van het UWV te twijfelen en neemt het oordeel van het UWV over. Wat [verzoeker01] onder 2.2. onder 1. verzoekt is gelet op een en ander niet toewijsbaar en wordt daarom afgewezen.
reisdagenvergoeding
3.7.
[verzoeker01] vraagt in zijn verzoekschrift om een reisdagenvergoeding van € 4.630,50 bruto. De kantonrechter beoordeelt dit verzoek eerst omdat het antwoord op de vraag of [verzoeker01] hier recht op heeft van belang is voor de hoogte van de transitievergoeding. Acta voert verweer tegen dit verzoek. Zij voert aan dat [verzoeker01] geen recht op deze vergoeding heeft omdat hij in 2022 vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid maar één keer aan boord is geweest (en dus geen reisdagen had).
3.8.
In het Personeelshandboek Zeevarende van Acta Marine staat onder 4.3., voor zover nu van belang (bijlage 16 van [verzoeker01] ):
De Werknemer ontvangt per reis, ongeacht de duur van de reis, een eenmalige allesomvattende bruto vergoeding als compensatie voor zowel het heen- als terugreizen. De reisvergoeding is inclusief eventuele kosten die gemaakt worden voor consumpties tijdens het reizen.
3.9.
Acta betwist niet dat deze vergoeding € 450,00 bruto per reis is en dat [verzoeker01] , als hij niet ziek zou zijn geweest, recht op € 4.630,50 bruto aan reisdagenvergoeding zou hebben. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker01] dit recht niet verliest tijdens zijn ziekte. Het gaat immers om een toeslag met een ‘regelmatig terugkerend karakter’, om een structurele toeslag dus. De toeslag van € 450,00 bruto per reis valt dus onder ‘naar tijdruimte vastgesteld loon’ en [verzoeker01] heeft daar ook tijdens ziekte recht op. Het verzoek van [verzoeker01] hem deze vergoeding te betalen is daarom toewijsbaar.
transitievergoeding
3.10.
Conclusie
3.17.
Het voorgaande komt er samengevat op neer dat geen aanleiding bestaat voor het herstel van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker01] , maar dat Acta aan [verzoeker01] nog wel een bedrag van (€ 4.630,50 + € 82,67 + € 35.847,00 + € 3.474,97 =) € 44.035,14 bruto moet betalen.
proceskosten
3.18.
De kantonrechter ziet in het feit dat [verzoeker01] deels gelijk krijgt, deels ongelijk, en gelet op de verhouding tussen partijen (werkgever en werknemer) aanleiding te bepalen dat [verzoeker01] en Acta ieder de eigen proceskosten betalen.
uitvoerbaar bij voorraad
3.19.
Deze beschikking wordt ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, [verzoeker01] in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter wel alvast kan afdwingen dat Acta voldoet aan de veroordeling in deze beschikking.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt Acta om € 44.035,14 bruto aan [verzoeker01] te betalen;
4.2.
bepaalt dat [verzoeker01] en Acta ieder de eigen proceskosten betalen;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
686