Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-25
ECLI:NL:RBROT:2023:9268
Strafrecht
Beslissing RC
1,346 tokens
Dictum
[veroordeelde01] , veroordeelde,
geboren op [geboortedatum01] 1951 te [geboorteplaats01] (Indonesië),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] , [postcode01] [plaats01] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te p/a 2502 EP ’s-Gravenhage, Postbus 18636,
ten kantore van haar advocaat mr. M.J.N. Vermeij,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Op 3 januari 2023 is het bezwaar ontvangen.
Op 11 september 2023 is het bezwaar in besloten raadkamer behandeld. Daarbij zijn de veroordeelde, haar advocaat en de officier van justitie mr. E. van Veen gehoord.
Feiten
Bij vonnis van 20 oktober 2022 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank ter zake van het verspreiden van een geschrift waarin tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl zij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift zodanige opruiing voorkomt, veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dag vervangende hechtenis waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is op 4 november 2022 aangevangen en loopt tot 2 november 2024.
Op 9 november 2022 heeft de officier van justitie afgegeven een bevel tot afname van celmateriaal bij de veroordeelde ten behoeve van het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel. Op 20 december 2022 is celmateriaal bij de veroordeelde afgenomen.
Bezwaar en standpunt veroordeelde
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde. In raadkamer wordt door en namens de veroordeelde gesteld dat er sprake is van de uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA. Daartoe is aangevoerd dat het feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld digitaal heeft plaatsgevonden en dit een voorbeelddelict is waarbij DNA-materiaal geen enkele rol kan spelen bij de opsporing. Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren ter zake van een misdrijf waarbij DNA-onderzoek van belang zou kunnen zijn. Bij bepaling van het geringe recidivegevaar dient ook haar relatief gevorderde leeftijd een rol te spelen. Er wordt verzocht het bezwaar gegrond te verklaren.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA waarbij wordt verwezen naar de volgende vergelijkbare uitspraken: Rechtbank Amsterdam 27 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5741, Rechtbank Rotterdam 23 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:10037 en Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 december 2022, ECLI:NL:RBWZN:2020:8223. Er wordt geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar.
Beoordeling
Toepassing Wet DNA
Vooropgesteld moet worden dat de Wet DNA de strekking heeft gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelden op efficiënte wijze op te sporen én veroordeelden te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Deze wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen.
De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor de veroordeelde is veroordeeld alsook het bevel is afgegeven, een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering betreft. Het bevel tot afname voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2, eerste lid, juncto artikel 1, onder c, van de Wet DNA. Op grond van de Wet DNA is de officier van justitie dan ook verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen voordoet.
Aard van het misdrijf
De eerste uitzonderingsgrond ‘aard van het misdrijf’ waarop door de veroordeelde een beroep wordt gedaan, ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen enkele bijdrage zou kunnen leveren aan de opsporing van strafbare feiten. De rechtbank is, anders dan de veroordeelde, van oordeel dat, gelet op de huidige stand van de (DNA)onderzoeks- en analysetechniek, een misdrijf zoals waarvoor de veroordeelde is veroordeeld dat digitaal is gepleegd, wel degelijk voor opheldering van strafbare feiten in de toekomst bepalend kan zijn.
Bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd
Evenmin is niet gebleken van de tweede uitzonderingsgrond ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’. De enkele omstandigheid dat de veroordeelde haar spijt heeft betuigd voor het feit waarvoor zij veroordeeld is, is niet voldoende om van deze uitzonderingsgrond te kunnen spreken. Haar leeftijd is evenmin doorslaggevend voor het bepalen van het recidiverisico. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen objectieve omstandigheden gebleken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het recidivegevaar zo gering is dat opname van het DNA-profiel achterwege moet blijven.
Conclusie
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is van een uitzonderingssituatie als genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA en dat het bezwaar derhalve ongegrond moet worden verklaard.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is op 25 september 2023 gegeven door:
mr. E.M. Havik, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Erasmus, griffier.