Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-07
ECLI:NL:RBROT:2023:9265
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,591 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] - [nummer02]
uitspraakdatum: 7 september 2023
[verzoekster01]
,
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 3 augustus 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 4 augustus 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 31 augustus 2023.
Ter zitting van 31 augustus 2023 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw [naam01] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De heer of mevrouw [naam02] , werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V., heeft namens Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Verweerster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2
Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 2 juni 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoekster zal worden aangemeld voor budgetbeheer. Verder ontvangt verzoekster inkomsten uit een Wajong-uitkering en heeft zij de afgelopen maanden, sinds februari 2023, de huur betaald. Met de huidige inkomsten, en met behulp van budgetbeheer, is verzoekster in staat om de vaste lasten volledig en op tijd te betalen.
3
Het verweer
Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoekster verdient geen nieuwe kans, omdat zij eerder onvoldoende medewerking heeft verleend aan schuldhulpverlening. Zij is eerdere afspraken met de schuldhulpverlener niet nagekomen. Ook zijn er onvoldoende waarborgen dat verzoekster de huurtermijnen en de overige vaste lasten gedurende het verzochte moratorium zal betalen. Verweerster heeft geen vertrouwen meer in de stipte betaling van de komende huurverplichtingen.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 2 juni 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 14 juni 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 augustus 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij, samen met haar kinderen, in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 2 juni 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster de huur sinds februari 2023 heeft voldaan. Verzoekster ontvangt een Wajong-uitkering. Verzoekster heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te betalen. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart. De vaste lasten zullen daarmee, met behulp van de budgetbeheerder, tijdig worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 2 juni 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres01] te Rotterdam ( [postcode01] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 4 augustus 2023;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 september 2023.