Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-10-03
ECLI:NL:RBROT:2023:9081
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,836 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1596
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van haar bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
Met het besluit van 29 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres herzien over de periode van 1 september 2020 tot en met 31 mei 2022 en een bedrag van € 1.455,30 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 26 januari 2023 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder de herzieningsperiode aangepast naar 1 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 en het terugvorderingsbedrag verlaagd tot € 1.455,10. Voor het overige is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
Bij brief van 14 augustus 2023 heeft verweerder laten weten dat hij aanleiding ziet alsnog de inkomstenvrijlating zoals opgenomen in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Pw toe te passen. De terugvordering wordt daarom verlaagd tot € 1.197,12.
De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [naam], en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt of verweerder de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft herzien omdat zij inkomsten genoot uit haar werkzaamheden als zelfstandige. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. Eiseres ontving van 10 april 2020 tot en met 31 mei 2022 een bijstandsuitkering. Sinds september 2020 heeft eiseres inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige. Zij heeft daarom in 2021 een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld omdat eiseres niet de gevraagde gegevens heeft ingeleverd. Per 1 juni 2022 is de bijstandsuitkering ingetrokken omdat eiseres naar een andere gemeente is verhuisd. Tijdens het beëindigingsonderzoek is gebleken dat de inkomsten van eiseres niet in mindering zijn gebracht op haar bijstandsuitkering. Bij brieven van 30 juni en 3 augustus 2022 heeft verweerder eiseres verzocht informatie in te leveren en eiseres heeft aan dit verzoek voldaan.
3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 mei 2022 inkomsten als zelfstandige heeft genoten. Deze inkomsten worden op de bijstandsuitkering in mindering gebracht en de teveel ontvangen bijstand wordt van eiseres teruggevorderd.
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte het negatieve bedrijfsresultaat in 2020 niet heeft meegenomen bij de berekening van het recht op bijstand. Verweerder heeft de inkomsten over 2020 op € 0,- gesteld, terwijl deze € 5557,78 negatief waren. In 2021 was de winst uit haar onderneming € 462,- en in de betrokken maanden van 2022 was dit een bedrag van € 689,-. In de totale beoordelingsperiode van 1 september 2020 tot en met 31 mei 2022 bedroeg het negatieve bedrijfsresultaat € 4406,78, zodat eiseres niet te veel bijstand heeft ontvangen.
5. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder het negatieve bedrijfsresultaat had moeten meenemen in de berekening. Voor de berekening van het recht op bijstand op grond van de Pw zijn uitsluitend de door eiseres genoten inkomsten uit haar werkzaamheden als zelfstandige relevant. Op grond van artikel 31, eerste lid, van Pw, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Pw is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. Volgens artikel 32, eerste lid, van de Pw wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 van de Pw in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, (…) en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. De Pw biedt geen ruimte voor het salderen van een negatief bedrijfsresultaat met deze inkomsten (zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4244). Daarnaast ziet het bestreden besluit niet op de periode waarin sprake was van negatieve inkomsten.
6. De rechtbank constateert verder dat de inkomsten van 2021 waar verweerder vanuit is gegaan overeenkomen met het door eiseres genoemde bedrag. Verweerder heeft de inkomsten die door eiseres waren opgevoerd over het gehele jaar 2022 – nu op dat moment niet duidelijk was welke inkomsten eiseres in welke maand precies had – verspreid over 365 dagen en vervolgens toegerekend aan het aantal maanden dat eiseres in 2022 bijstand genoot en de bijstandsuitkering dienovereenkomstig herzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval deze berekeningsmethode mogen hanteren. De rechtbank stelt overigens vast dat eiseres daardoor niet tekort is gedaan. Op deze wijze heeft zij, zo blijkt uit de ter zitting gegeven toelichting over haar inkomsten in dat gehele jaar en verweerders reactie daarop, recht op meer bijstand behouden dan het geval zou zijn geweest indien de inkomsten strikt aan de betreffende kalendermaanden zouden zijn toegerekend.
7. Nu verweerder in beroep de terugvordering heeft verlaagd in verband met het alsnog toepassen van de inkomstenvrijlating van 25%, wordt het beroep gegrond verklaard.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft de bijstandsuitkering op juiste gronden herzien en teruggevorderd. Omdat verweerder in beroep alsnog het terugvorderingsbedrag heeft verlaagd, krijgt eiseres het door haar betaalde griffierecht terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.