Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-05
ECLI:NL:RBROT:2023:8902
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,583 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/4597
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 september 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Koolhoven),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Tang).
Procesverloop
Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 19 mei 2023 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 23 juli 2021 (het bestreden besluit) in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft zij verweerder op grond van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Verweerder is bij de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld de afwijzing van het verzoek van eiseres om vervanging of reparatie van de plateaulift nader te motiveren en te beoordelen of eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in aanmerking dient te komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de belemmeringen die zij ondervindt ten aanzien van de toegankelijkheid van haar tuin. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.
2. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, verklaart de rechtbank het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet opnieuw beslissen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van wat in de tussenuitspraak en deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt verweerder daarvoor een termijn van zes weken.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
3. Eiseres heeft bij brief van 17 februari 2023 een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:731) volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel bedraagt de vergoeding van immateriële schade van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
4.1
Het bezwaarschrift van eiseres is door verweerder ontvangen op 15 februari 2021. De beoordeling van de redelijke termijn ziet op de periode vanaf die datum tot de datum van deze uitspraak van de rechtbank, te weten 5 september 2023. Vastgesteld wordt dat de totale behandelingsduur twee jaar en zeven maanden is. De redelijke termijn is dan ook met 8 maanden overschreden.
4.2
Verweerder heeft op 23 juli 2021 beslist op het bezwaar, zodat de redelijke termijn in de bezwaarfase niet is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toe te schrijven aan de behandeling van het beroep. Eiseres heeft recht op vergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase, te betalen door de Staat. Dit betekent dat de rechtbank de Staat zal veroordelen tot deze schadevergoeding.
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 597,-, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 597,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 837,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.868,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.868,-;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiseres van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en
prof. mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van mr. E. Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2023.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.