Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-08-02
ECLI:NL:RBROT:2023:7849
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,738 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9941263 VZ VERZ 22-8336
registernummer: BM 33361
uitspraak: 2 augustus 2023
tussenbeschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake meerderjarigenbewind
over de goederen van:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres],
hierna te noemen betrokkene.
Procesverloop
Op 16 juni 2022 is ter griffie van de rechtbank de rekening en verantwoording over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 ingekomen van Stichting Veritas Vertegenwoordiging, wonende te [postadres], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van betrokkene.
Bij brief van 21 juni 2022 heeft de griffier de bewindvoerder verzocht om aanvullende informatie over de rekening en verantwoording.
Beoordeling
In de rekening en verantwoording over 2021 zijn kosten bewindvoering opgenomen die ook zien op het beheren van het persoonsgebonden budget (PGB) van de minderjarige zoon van betrokkene. Bij beschikking van 21 oktober 2022 is door de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder tot het toekennen van een beloning voor het beheren van het PGB van de minderjarige zoon van betrokkene (de moeder van de minderjarige) afgewezen. In die beschikking heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
“De kantonrechter is van oordeel dat het meerderjarigenbewind een eigenlijke bewindsvorm is dat op de goederen van de te beschermen persoon rust en een afgescheiden vermogen creëert. Niet de persoon, maar diens goederen zijn onder bewind gesteld. Dat maakt dat de taak van de meerderjarigenbewindvoerder niet verder kan gaan dan het beheer van de goederen van de te beschermen persoon. De aanspraak op het PGB van de minderjarige valt dus niet onder het voor ingestelde bewind.”
Bij brief van dezelfde datum heeft de griffier de bewindvoerder geïnformeerd dat de kantonrechter overweegt om ambtshalve de bewindvoerder op grond van artikel 1:370 BW te benoemen, uitsluitend voor het beheer van het PBG van de minderjarige zoon van betrokkene. De bewindvoerder is in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
Bij brief van 14 april 2023 heeft de bewindvoerder gereageerd. Onder verwijzing naar de artikelen 1:431 en 1:234 BW stelt de bewindvoerder zich op het standpunt dat het instellen van een bewind over het PGB van de minderjarige niet nodig is. Volgens hem kunnen de werkzaamheden voor het beheer van het PBG in de hoedanigheid van bewindvoerder over de moeder van de minderjarige worden verricht. De bewindvoerder wijst er in dit verband op dat uitgangspunt is dat de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige worden beschermd door de ouder (of voogd), maar dat een ouder die onder bewind staat die belangen juist niet kan beschermen. Volgens de bewindvoerder vallen de vermogensrechtelijke belangen van een kind op het moment dat de ouder onder bewind staat daarom ook onder de (indirecte) verantwoordelijkheid van de bewindvoerder.
De kantonrechter denkt hier anders over. Uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat minderjarigen en hun vermogen onder het gezag van hun ouders staan (art. 1:245 lid 4 BW). Er is geen wettelijke regeling waarin is bepaald dat het meerderjarigenbewind enige invloed heeft op het ouderlijk gezag van de ouder die onder bewind staat (zie ook [naam], Het meerderjarigenbewind, minderjarige kinderen en art. 1:370 BW, WPNR 2022/7379). Dit ligt anders indien sprake is van onder curatelestelling van de ouder(s) of een andere situatie waarin de geestesvermogens van de ouder(s) zodanig gestoord zijn dat zij feitelijk in de onmogelijkheid verkeren om het gezag uit te oefenen (art. 1:246 BW), maar daarvan is bij onderbewindstelling geen sprake.
Dit betekent dat de ook de ouder die onder bewind staat het bewind blijft voeren over het vermogen van zijn minderjarige kinderen. Dit kan echter onwenselijk zijn als de ouder feitelijk niet in staat is om dat zelf te doen. Door de bewindvoerder is aangevoerd dat hiervan in de onderhavige kwestie sprake is; moeder is niet in staat om het PGB te beheren. Daarom is de bewindvoerder ook als budgethouder aangesteld (naar de kantonrechter aanneemt, door het zorgkantoor).
De kantonrechter ziet aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen, om de onderhavige situatie met betrokkene en de bewindvoerder te bespreken. Op deze mondelinge behandeling zal betrokkene in de gelegenheid zijn om haar visie te geven op het standpunt van haar bewindvoerder dat zij niet in staat is om het beheer van het PGB van haar minderjarige zoon te voeren. Ook zal aan de orde komen of er (financiële) belemmeringen zijn om een bewindvoerder te benoemen voor het beheer van het PGB van de minderjarige. Dit zou mogelijk het geval kunnen zijn indien de kosten van bewindvoering van betrokkene wel via de bijzondere bijstand worden vergoed maar de kosten voor het beheer van het PGB van de minderjarige niet.
Dictum
De kantonrechter
bepaalt een mondelinge behandeling op dinsdag 26 september 2023 om 15.40 uur;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.
834
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9941263 VZ VERZ 22-8336
registernummer: BM 33361
uitspraak: 2 augustus 2023
tussenbeschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake meerderjarigenbewind
over de goederen van:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres],
hierna te noemen betrokkene.
Procesverloop
Op 16 juni 2022 is ter griffie van de rechtbank de rekening en verantwoording over de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 ingekomen van Stichting Veritas Vertegenwoordiging, wonende te [postadres], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van betrokkene.
Bij brief van 21 juni 2022 heeft de griffier de bewindvoerder verzocht om aanvullende informatie over de rekening en verantwoording.
Beoordeling
In de rekening en verantwoording over 2021 zijn kosten bewindvoering opgenomen die ook zien op het beheren van het persoonsgebonden budget (PGB) van de minderjarige zoon van betrokkene. Bij beschikking van 21 oktober 2022 is door de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder tot het toekennen van een beloning voor het beheren van het PGB van de minderjarige zoon van betrokkene (de moeder van de minderjarige) afgewezen. In die beschikking heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
“De kantonrechter is van oordeel dat het meerderjarigenbewind een eigenlijke bewindsvorm is dat op de goederen van de te beschermen persoon rust en een afgescheiden vermogen creëert. Niet de persoon, maar diens goederen zijn onder bewind gesteld. Dat maakt dat de taak van de meerderjarigenbewindvoerder niet verder kan gaan dan het beheer van de goederen van de te beschermen persoon. De aanspraak op het PGB van de minderjarige valt dus niet onder het voor ingestelde bewind.”
Bij brief van dezelfde datum heeft de griffier de bewindvoerder geïnformeerd dat de kantonrechter overweegt om ambtshalve de bewindvoerder op grond van artikel 1:370 BW te benoemen, uitsluitend voor het beheer van het PBG van de minderjarige zoon van betrokkene. De bewindvoerder is in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
Bij brief van 14 april 2023 heeft de bewindvoerder gereageerd. Onder verwijzing naar de artikelen 1:431 en 1:234 BW stelt de bewindvoerder zich op het standpunt dat het instellen van een bewind over het PGB van de minderjarige niet nodig is. Volgens hem kunnen de werkzaamheden voor het beheer van het PBG in de hoedanigheid van bewindvoerder over de moeder van de minderjarige worden verricht. De bewindvoerder wijst er in dit verband op dat uitgangspunt is dat de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarige worden beschermd door de ouder (of voogd), maar dat een ouder die onder bewind staat die belangen juist niet kan beschermen. Volgens de bewindvoerder vallen de vermogensrechtelijke belangen van een kind op het moment dat de ouder onder bewind staat daarom ook onder de (indirecte) verantwoordelijkheid van de bewindvoerder.
De kantonrechter denkt hier anders over. Uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat minderjarigen en hun vermogen onder het gezag van hun ouders staan (art. 1:245 lid 4 BW). Er is geen wettelijke regeling waarin is bepaald dat het meerderjarigenbewind enige invloed heeft op het ouderlijk gezag van de ouder die onder bewind staat (zie ook [naam], Het meerderjarigenbewind, minderjarige kinderen en art. 1:370 BW, WPNR 2022/7379). Dit ligt anders indien sprake is van onder curatelestelling van de ouder(s) of een andere situatie waarin de geestesvermogens van de ouder(s) zodanig gestoord zijn dat zij feitelijk in de onmogelijkheid verkeren om het gezag uit te oefenen (art. 1:246 BW), maar daarvan is bij onderbewindstelling geen sprake.
Dit betekent dat de ook de ouder die onder bewind staat het bewind blijft voeren over het vermogen van zijn minderjarige kinderen. Dit kan echter onwenselijk zijn als de ouder feitelijk niet in staat is om dat zelf te doen. Door de bewindvoerder is aangevoerd dat hiervan in de onderhavige kwestie sprake is; moeder is niet in staat om het PGB te beheren. Daarom is de bewindvoerder ook als budgethouder aangesteld (naar de kantonrechter aanneemt, door het zorgkantoor).
De kantonrechter ziet aanleiding om een mondelinge behandeling te bepalen, om de onderhavige situatie met betrokkene en de bewindvoerder te bespreken. Op deze mondelinge behandeling zal betrokkene in de gelegenheid zijn om haar visie te geven op het standpunt van haar bewindvoerder dat zij niet in staat is om het beheer van het PGB van haar minderjarige zoon te voeren. Ook zal aan de orde komen of er (financiële) belemmeringen zijn om een bewindvoerder te benoemen voor het beheer van het PGB van de minderjarige. Dit zou mogelijk het geval kunnen zijn indien de kosten van bewindvoering van betrokkene wel via de bijzondere bijstand worden vergoed maar de kosten voor het beheer van het PGB van de minderjarige niet.
Dictum
De kantonrechter
bepaalt een mondelinge behandeling op dinsdag 26 september 2023 om 15.40 uur;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.
834