Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-08-14
ECLI:NL:RBROT:2023:7632
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,374 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: datum bepaling behandeling
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 14 augustus 2023
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 10 juli 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 10 juli 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 20 juli 2023.
De rechtbank heeft op 13 juli 2023 en 20 juli 2023 voorafgaand aan de zitting aanvullende informatie ontvangen.
Ter zitting van 20 juli 2023 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
de heer A.M. van Dalen, mevrouw M. Temur en mevrouw F. Bronscenti, allen werkzaam bij de Kredietbank Nederland (hierna: schuldhulpverlening);
de heer J.L. Brouwer, mevrouw M. van Oorschot en mevrouw M.L. Bacheri, allen werkzaam bij Mijnbudgetcoach B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder).
Mevrouw M.G. Landegent, werkzaam bij Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders B.V. heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank stukken toegezonden.
[verweerster], gevestigd te Amsterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen met bericht niet ter terechtzitting verschenen.
Schuldhulpverlening heeft, namens verzoekster, op 8 augustus 2023 aanvullende stukken ingediend met betrekking tot het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 29 juni 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Ter terechtzitting heeft verzoekster toegelicht dat verzoekster inkomsten heeft, uit een dienstbetrekking, ter hoogte van € 1.557,02 (netto). Door het gelegde loonbeslag bleef daar € 1.168,00 (netto) van over. De kale huur die verzoekster maandelijks moet betalen bedraagt € 1.015,69. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat de beslaglegger het loonbeslag er recentlijk vanaf heeft gehaald. Verzoekster heeft verder ter zitting verklaard dat zij hard op zoek is naar nieuwe goedkopere woonruimte. Dit is echter, gezien de huidige woningmarkt, ontzettend moeilijk. Schuldhulpverlening heeft daarnaast ter zitting verklaard dat het minnelijk traject nog niet is afgerond. Het minnelijk traject is recent opgestart en bevindt zich thans in de inventarisatiefase. Er is nog geen aanbod aan de crediteuren gedaan.
3. Het verweer
Verweerster heeft per brief van 11 juli 2023 kenbaar gemaakt zich te conformeren aan de uitspraak van de rechter en niet aanwezig te zullen zijn bij de terechtzitting. Verweerster heeft daarbij opgemerkt dat op 23 september 2021 reeds eerder een moratorium is uitgesproken.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat verzoekster op 6 september 2021, met een verzoekschrift ex artikel 284 Fw, een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’).
Bij vonnis van 23 september 2021 is door de rechtbank Rotterdam bepaald dat de tenuitvoerlegging van het op 29 juni 2021 op verzoek van [verweerster] uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan de [adres] voor de duur van zes maanden wordt opgeschort.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is op 23 september 2021 door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft thans opnieuw verzocht een moratorium toe te wijzen voor de duur van zes maanden. Artikel 287b lid 5 Fw bepaalt echter dat de desbetreffende voorlopige voorziening wordt uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. Door het eerder afgekondigde moratorium zal deze periode per 23 maart 2022 zijn verstreken. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om een moratorium voor meer dan zes maanden uit te spreken.
Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek moratorium af.
Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal op
12 oktober 2023 om 11.00 uur worden behandeld.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- bepaalt dat het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op
12 oktober 2023 om 11.00 uur zal worden behandeld. Verzoekster zal afzonderlijk worden opgeroepen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2023.